
Het zoveelste bewijs dat muziek een voorstelling naar een hoger niveau kan tillen zijn de liederen bij de nieuwe productie van NTGent, Gif. De altus Steve Dujardin zingt een viertal liederen van de Engelse componist John Dowland. Hij stierf tien jaar na Shakespeare en was katholiek - een daad die in de tijd van koningin Elisabeth I zowat gelijkstond aan verraad. Zijn elegische liederen zijn door de klanktaal indrukwekkend. Vooral In Darkness Let me Dwell is zo teder en intiem dat het uitermate geschikt is voor zowel Christelijke als vrijzinnige uitvaarten.
In Gif staat dit lied, net als drie andere van dezelfde componist, dus op zijn plaats, want het nieuwste toneelstuk van Lot Vekemans gaat over een gescheiden koppel dat elkaar na tien jaar weer ontmoet. De vrouw heeft daarvoor een smoes moeten bedenken. Het ruimen van een aantal graven wegens gif in de grond. De herbegrafenis van hun kind heeft zij aangegrepen om haar man, die nu in het buitenland woont, naar de plaats te lokken waar zij de laatste keer een gezamenlijke intieme band hebben gehad.
Zij is blijven wonen in hun voormalige woning, dat na de dood van het kind en de scheiding voor haar een schuiloord is geworden om het verleden levendig te houden, gevoed door verwijt en zelfbeklag. Beide verhuist de vrouw naar het stukgelopen huwelijk, alsof dat de reden is van het lijden en de dood van hun kind, terwijl het maar de spreekwoordelijke druppel is.
Hun kind heet Jacob. Niet onbelangrijk. Jacob betekent 'zoon des donders'. En volgens een legende zou de apostel Jacob gepredikt hebben in Spanje en is zijn lichaam begraven in Santiago de Compostella. Gif is in dat licht beschouwd een bedevaart en de knieval van twee pelgrims.
In tegenstelling tot het kind hebben man en vrouw geen naam. Een wijs besluit van Lot Vekemans. De aandacht gaat integraal naar de tekst en elke toeschouwer voelt zich aangesproken. Een ijzersterk stuk, met een hoog Woody Allen-gehalte (Interiors) in het eerste deel en aanleunend bij Edward Albee (Who's Afraid of Virginia Woolf) in het tweede, maar dan zonder versterkende drank. Dat moet voorzeker regisseur Johan Simons ook hebben aangevoeld. Van de opdeling door Vekemans in drie delen, heeft Simons er twee gemaakt. Ze zijn gescheiden door een regenbui en het 360 graden draaien van de tribune in de aula. Strategisch goed bekeken want in het eerste deel is alle macht in handen van de vrouw, terwijl het omgekeerde het geval is in het tweede deel.
Een kanteling halverwege het stuk, hoewel er niets verandert. Zinnen, nu eens lief dan verwijtend, en gebaren waarbij tederheid en afkeer elkaar overlappen, helpen geen moer. De gedachte dat een confrontatie verlossend zou kunnen zijn is een illusie. Zeker als de ene partij het verleden gesloopt heeft en de andere er een kathedraal van heeft gemaakt. Een kathedraal met zijn lijdensweg enerzijds en de heiligenbeelden anderzijds. Daarenboven staat er een muur tussen beide partijen. Karakterologisch van aard.
Elsie de Brauw speelt de vrouw en Steven Van Watermeulen de man. De lichaamstaal van De Brauw maakt een evolutie door. Is hij in het begin dartel, gaandeweg verstilt hij om naar het einde toe haast tot stilstand te komen. Dictie, mimiek en motoriek zijn een streling voor oog en oor. Daar kan Van Watermeulen niet tegen op, al speelt hij de darmen uit zijn lijf. In het eerste deel zou een introverter spel het extroverte van het tweede deel schokkender hebben gemaakt. De confrontatie in perfecte balans gehouden. Het is geen wonde, zijn spel, gewoon een lichte kras.
De enige smet op de voorstelling is de belichting. Dat zij bedoeld is om het koude karakter in en buiten de aula te benadrukken is begrijpelijk, maar hoefde niet. Dat blijkt al voldoende uit de tekst en het spel. Een meer neutrale had niet geïrriteerd. De toeschouwer nog beter bij de les gehouden. Maar iedereen en alles heeft recht op één afwijking.
Gif is goed ouderwets toneel in een hedendaags kostuum en een nieuwe parel aan de kroon van NTGent.