logo-print
Nieuws

Jan Versweyveld zet in Opening Night repetitieruimte op scène

'De toneelvloer is een metafoor voor het hele bestaan'

Al 25 jaar deelt Jan Versweyveld de scène met regisseur Ivo Van Hove, als vertaler van diens ideeën in licht en decor. En ook buiten de zaal vormt het duo een stel. 'Ik kan me het leven met Ivo niet voorstellen zonder theater.' Precies over die symbiose tussen leven en werk gaat hun nieuwe voorstelling Opening Night, naar de film van John Cassavetes uit 1977.

'Loop er gerust even in rond", gebaart Versweyveld naar zijn decor, dat staat opgesteld op het podium van NTGent. Hij is een van de weinige scenografen die zoiets nog kan zeggen. Terwijl collega's vaak kiezen voor wat decorstukken naast elkaar gaat Versweyveld liever voor de totale toneelruimte, die tot de nok is dicht gewerkt. Zo begon het ook al in 1981, toen hij tijdens zijn beeldende opleiding aan Sint-Lukas met Van Hove Geruchten maakte in een oude wasserij, en daarna Ziektekiemen in een havenloods. Later bij De Tijd en het Zuidelijk Toneel creëerde hij ook weleens minimalistische decors, zoals de levensgrote spiegel in Caligula of de geurmachines in India Song. Maar de ware vormgever in Versweyveld blijft toch die van de overweldigende inrichtingen voor pakweg Rouw siert Elektra of Het temmen van de feeks, nu bij Toneelgroep Amsterdam.

Vandaar dat we wat verward de scène opstappen in wat nu staat neergepoot voor Opening Night: een ongeconcentreerd universum met een grote discussietafel, wat techneuten achter een computerdesk, een prikbord met artikels aan de muur, kabels over de vloer, en links achter de manteau, onzichtbaar vanuit de zaal, nóg een publiekstribune. Wat is decor, wat deel van de repetities? Bij een controlefreak als Versweyveld hoef je nooit lang te twijfelen. Deze repetitiestudio ís het decor, van naadje tot draadje uitgetekend zoals de toneelsituatie in de film Opening Night. Cassavetes toont er hoe de drankzuchtige diva Myrtle, haar ruwe tegenspeler en ex-man Maurice, de toneelgekke regisseur Manny en de rest van de troep totaal de draad kwijtraken in de aanloop naar de première van het stuk De tweede vrouw. Fictie en werkelijkheid worden één kluwen.

Hoe liep het met de stress, de ruzies, de twijfels van acteurs tijdens jullie eigen repetities?

Versweyveld: "Dat viel erg goed mee, moet ik zeggen. Vanaf de eerste dag leek deze productie onder een goed gesternte geboren, waarschijnlijk net omdat alles zo dicht bij onszelf ligt. We kijken helemaal niet op van de conflicten die in die theaterfamilie van Cassavetes opduiken, waardoor je alles veel opener en positiever kunt benaderen."

Maar maakt die herkenbaarheid het jou als vormgever niet net moeilijker, omdat je bijna móét kopiëren?

"De uitdaging was inderdaad om niet in namaakrealisme te vervallen en een nieuw soort theatrale realiteit te ontwikkelen. En dus heb ik een ruimte ontworpen die alle diverse locaties van de film in zich heeft. Of een scène zich nu thuis in de badkamer afspeelt of buiten op straat, ze past hier in het toneelbeeld. Vroeger zou ik zulke buitenscènes aan het publiek duidelijk hebben gemaakt met een apart belichting, maar nu ben ik voor het eerst erg vrij en intuïtief met die verbeelding omgegaan. Alles blijft meer open. De acteurs hadden het daar wel soms moeilijk mee. 'Waar ben ik nu?' Nou, dit is de badkamer!"

Je gebruikt wel video. Om dan toch dat filmgevoel opnieuw te benaderen?

"Nee, meer om de interessante dubbelheid van de hele situatie te benadrukken. Zo spelen de personages soms naar hun collega's die op de tribune op de scène zitten, waardoor de toeschouwers in de zaal een soort voyeurs vanuit de coulissen worden. Tegelijk kun je met de livecamera inzoomen op het gezicht van regisseur Manny, waardoor je verschillende lagen en standpunten krijgt. Het publiek wordt voortdurend decor, en omgekeerd. Zo breek je zowel de beperkte zichtlijnen van de bonbonnière open, als dat je à la minute een close documentary krijgt van het theatergezelschap. Dat geeft heel veel mogelijkheden."

Maar waar krijgt het theaterstuk ook inhoudelijk een meerwaarde tegenover de film?

"Onder meer door de aard van de scenografie, vind ik. Het is een besloten ruimte waar een deel van het publiek de leefruimte willens nillens deelt met een theaterfamilie. Zo plaatsen we Cassavetes' weefsel van frustraties bij acteurs over ouder worden en vroegere liefdesperikelen volledig in een huis clos-situatie, die je in de film helemaal niet hebt. De toneelvloer wordt een metafoor voor het hele bestaan."

Dreigt dat niet gewoon een romantische of zelfs melige zelfverheffing van het toneelberoep te worden?

"Dat wordt al uitgesloten door de tekst, die glasscherp is. We fantaseren er ook niks bij en verstoppen evenmin iets. Normaal hang je zwarte doeken op de grens waar een acteur zijn spel aflegt, maar nu lopen de kleedster en de toneelmeester gewoon mee rond op de scène. Dat maakt de link met de realiteit erg vanzelfsprekend. Aan de andere kant is toneel maken ook niet enkel romantiek, hé. Het gaat om een bikkelharde confrontatie met jezelf, waar ik soms zwetend van wakker word. Heb ik dit wel juist ontworpen? Hoe moet het met het licht? Het zit allemaal fout! Al die twijfels, die heeft iedereen. Weinig tijd voor romantiek, dus. Ik vind het telkens een kunst om die eerste dagen door te komen zonder dat er brokken vallen."

Hoe zit dat bij jou en Ivo? Jullie relatie zou nogal stormachtig zijn, wordt gefluisterd. 'Hij durft soms poker te spelen om mij tot een beter decor te brengen', zei je ooit zelf.

"Ja, dat is zeker niet veranderd. Regisseur zijn is iets complex, weet je: een soort aangeboren strategiegevoel om mensen tot bepaalde prestaties te drijven. Maar op de vloer vind ik Ivo toch veeleer harmonisch. Ik ken regisseurs die het conflict gaan opzoeken, maar dat ligt bij hem anders. Stevige discussies hebben we vaak enkel vooraf, over het stuk en de dramaturgie."

Over Opening Night schrijft hij dat Myrtle en Maurice op het toneel iets uit te zoeken hebben wat in de werkelijkheid niet lukt. Heeft hij het daar niet gewoon over jullie?

"Ergens wel, ja. Wij veranderen en verdiepen onze relatie echt door met toneel bezig te zijn. Ik kan me ook niet voorstellen hoe mijn leven met Ivo Van Hove er zou uitzien zonder theater. Het is een manier om elkaar beter te leren kennen, en zeker niet altijd een even aangename. De laatste tijd is dat wel verbeterd. Omdat we na al die jaren meer ontspannen in ons metier zijn gaan staan hebben we vanzelf meer tijd voor elkaar gekregen."

Hoe kijk je na 25 jaar terug op de evolutie in je eigen werk?

"In de eerste jaren was ik vanuit mijn beeldende opleiding vooral bezig met de esthetiek van de dingen, terwijl ik daarna veel meer ben gaan redeneren vanuit de dramaturgie: wat is nodig om deze tekst juist verteld te krijgen? Vanaf 1991, met Ajax/Antigone bij het Zuidelijk Toneel, zijn we dan gaan zoeken naar een directere relatie tot het publiek, door openingen te maken in het lijsttoneel. Maar de laatste jaren werk ik steeds meer vanuit de acteurs, zeker nu we na de moeilijke beginperiode bij Toneelgroep Amsterdam eindelijk de vrijheid van daarvoor, in Eindhoven, gevonden hebben. De hamvraag is: wat geef ik deze topspelers als hanteerbaar instrument? Ik hoef niet meer zo nodig uit te pakken met mijn eigen esthetiek. Het belangrijkste blijft de essentie, of je die nu in een schraal of een monumentaal decor giet."