GENT - Als kind al vond hij het theater betoverend. Nu, op zijn 41ste, mag Wim Opbrouck zich zowaar directeur noemen van een schouwburg. Mét effect: er zijn al dubbel zoveel abonnementen verkocht voor Opbroucks eerste seizoen bij NTGent. 'Dranouter is even leuk als Shakespeare', zegt de bevlogen man van 'Het eiland' en 'De bende van Wim'.
Je bent vanaf dit seizoen artistiek directeur bij het Gentse stadstheater NTGent. Betekent het ook dat je voor het eerst in je leven visitekaartjes hebt?
Wim Opbrouck: 'Heel mooie zelfs, zoals het mijn functie past. (lacht) Wat toevallig dat je dit vraagt. Men heeft me zopas de hele stapel kaartjes in mijn handen gedrukt. Ik had ze al maanden laten rondslingeren. Zo hard gebruik ik ze dus. Ik heb trouwens ook géén eigen bureau, maar wél een secretaresse. Kijk: ik ben niet in mijn eentje artistiek directeur, ik doe dit samen met de hele acteursploeg, en ik blijf zelf ook acteren. Maar begrijp me niet verkeerd. Het betekent niet dat ik mijn verantwoordelijkheid wil afwimpelen.'
Directeur op je 41ste. Wat wilde je als kind worden?
'Enerzijds wilde ik kunstenaar worden, in de meest totale en meest romantische zin van het woord: een rare tiest, een potsenmaker. Anderzijds wilde ik chef-kok worden. Al zag ik daar vlug in dat maître d'hôtel meer iets voor mij was. Vanwege het theatrale aspect: tafels dekken en mensen ontvangen.'
'Eén stuk van mijn kinderdromen heb ik toch al gerealiseerd. Als veertienjarige trok ik, onder impuls van de juiste leerkrachten, vaak met de trein van Harelbeke naar Gent. Ik ging dan steevast bij De Slegte boeken kopen, pikte een museum mee en dronk een limonade in de Vooruit. Als ik de mensen zag die daar rondhingen, dacht ik: Bij dat clubje raar gevogelte wil ik ooit horen.'
Valt de druk op je schouders te vergelijken met wat de Rode Duivels dezer dagen moeten doorstaan?
'Dit is geen wedstrijd. Er vallen geen punten te verdienen. En ik beschik lang niet over hetzelfde budget. (lacht) Maar ik voel me wel verantwoordelijk, want ik doe dit tenslotte voor een stuk met subsidiegeld. Vergeet vooral niet dat ik dit seizoen al twee jaar aan het voorbereiden ben. Natuurlijk zullen er ook kwade dagen komen, maar het zou vreemd zijn mocht ik nu nog bang wezen.'
De eerste tekenen zijn goed: er zijn nu al dubbel zoveel abonnementen verkocht als vorig jaar. Maakt het je trots?
'Dat heeft lang niet alleen met mij te maken. Als dat zo zou zijn, dan zou ik de privé in moeten gaan en zou ik daar veel geld kunnen verdienen. Dit zijn de vruchten die heel de ploeg plukt van een aantal jaren hard werken. Oké, ik ben wie ik ben, maar ik ben toch ook geen godenkind waar mensen op af komen zoals op een honingstok. Ik heb zalen doen vollopen, maar ik heb evengoed zalen doen leeglopen. Ik kan wél bruggen slaan tussen hogere en lagere cultuur. Op Dranouter met De Dolfijntjes de tent doen ontploffen is voor mij hetzelfde als bij NTGent een Shakespeare spelen. Ja, ik kleur buiten de hokjes, want ik ben té nieuwsgierig. Wellicht is dat iets wat het publiek kan smaken.'
Je blijft intussen ook in films acteren. Zo zal je eind dit jaar te zien zijn in 'Frits en Freddy', waarin de door zovelen aanbeden Erika Van Tielen haar acteerdebuut maakt. Heb je haar bijgestaan met goede raad?
'Wij hebben geen scènes gehad, samen. Maar we hebben natuurlijk wel aan dezelfde tafels geluncht en in dezelfde hotels geslapen. Laat ik het zo zeggen: ik heb vanaf de zijlijn mogen aanschouwen hoe Peter Van Den Begin en Tom Van Dyck zich zorg-vul-dig van hun taak als leermeesters gekweten hebben.' (lacht)
'Het eiland', 'De bende van Wim', 'In de keuken'... Op welke van je rollen of programma's word je het meest aangesproken?
'De bende van Wim. Elke dag zegt er wel iemand: Hé Wim, hoe is het met je motor?, of: Zeg, is die motor van Jean Blaute écht gepikt? Maar natuurlijk heeft Frankie Loosveld in Het eiland het meeste indruk gemaakt. Ik prijs me vooral gelukkig dat ik niet vastgepind kan worden op één rol, à la Boma uit FC De kampioenen. Uiteindelijk word ik altijd wel over iets anders aangesproken, en omdat ik een aantal van die programma's zelf heb bedacht, leidt dat altijd wel tot fijne babbels. Het is nooit vervelend om het over In de keuken te hebben.'
Je wil van je theater 'een huis van sprookjes' maken. Herinner je je nog de eerste keer dat je als kind de magie van zo'n sprookjeshuis hebt ervaren?
'Vanaf dag één heb ik die magie ervaren. Mijn eerste kennismaking met het theater was operette. Ik ging met mijn oom en tante vaak mee naar Kortrijk, voor klassiekers als De lustige weduwe. Als er dan aria's werden gebracht die bedoeld waren om bij te huilen, ging heel de zaal ook echt aan het huilen. Vlug daarna zag ik Vuile Mong en zijn Vieze gasten. Dat was ten tijde van hun hitje De school dat is een apenkot. Je had er mannen die vrouwenrollen speelden, op z'n Monty Pythons. Dat was voor mij meteen betoverend. Ik heb het nog steeds als ik een zaal binnenkom: als het licht uitgaat, glij ik weg in mijn verbeelding.'