
La Grande Bouffe
Waarom Johan Simons de film over een schranspartij die uitmondt in een schetenconcert op het toneel nieuw leven wilde inblazen, is een raadsel.
Eigenlijk is het hoertje Christiane de meest wijze van allemaal. Zij heeft tenminste nog enig moreel besef en weet ware gedachten te formuleren, over het nut van de mens hier op aarde. Ze is in La Grande Bouffe ingehuurd om de vier mannen die zich hier een zelfgekozen dood tegemoet vreten van seksueel plezier te voorzien. In deze compleet amorele omgeving spreekt ze uiteindelijk helende woorden.
Niet dat het daarom gaat in deze opmerkelijke regie van Johan Simons, een co-productie van NTGent en Toneelgroep Amsterdam. Het blijft gissen waarom hij de beroemde en shockerende film La Grande Bouffe van Marco Ferreri uit 1973 in het theater nieuw leven wilde inblazen.
La Grande Bouffe is een vertelling zonder enige psychologie of waardeoordeel. Het gaat enkel over vier mannen - een chef-kok, een rechter, een tv-producent en een piloot - die zich dood willen vreten. Waarom? Als aanklacht tegen de consumptiemaatschappij? Als een satire op bovenmatig decadent gedrag? Of om aan te tonen dat de mens tot in het extreme baas over eigen leven en dood zou moeten zijn?
Het kan allemaal, en de film gaf er net zo min een antwoord op als de voorstelling nu. Over hedonisme en de vrije wil zou het moeten gaan, over genot en overvloed, maar Simons en zijn team hebben er vooral een koddige en soms zelfs kluchtige pastiche op het thema 'Vreten totdat je erbij neervalt' van gemaakt. Met virtuoze acteurs, dat zeker; je kunt je twee uur lang bijzonder vermaken met de malle fratsen van Steven van Watermeulen, de capriolen van Wim Opbrouck (inclusief zalige recepten) en de knap uitgespeelde gekte van Aus Greidanus jr. Alleen Jacob Derwig blijft wat non-descript.
Zij zijn de mannen die zich in een villa hebben opgesloten voor een laatste culinaire schranspartij, die uitmondt in een schetenconcert, buikloop en stront uit de kraan - de wereld als één grote beerput. Halverwege de voorstelling ontstaat het vermoeden dat de lichte toon zal plaatsmaken voor grimmigheid en tenslotte dodelijke ernst, maar dat alles blijft gek genoeg uit.
En dat is jammer; leukdoenerij van mannen onderling, met alleen eten en vrouwenslipjes, is te weinig. De echte zeggingskracht komt van de twee vrouwen: Chris Nietvelt als het hoertje en Elsie de Brauw als de wat ontspoorde onderwijzeres die zich bij de mannen aansluit. Met hen plaatst Simons de gebeurtenissen in retrospectief; bij aanvang zijn de mannen al dood.
In een vrij kale, witte omgeving - meer slachthuis dan villa - komt al snel een enorme lading nepvoedsel naar beneden vallen: reebokken, halve varkens, parmezaan - allemaal in gestileerd plastic. Het zijn de zetstukken en stootkussens waarmee deze betreurenswaardige mannen zich vermaken.
De zelfbenoemde hogepriesteres van de kunstkritiek Anna Tilroe heeft het beeldconcept bedacht door een aantal fraaie kunstwerken te selecteren uit het 'Handboek voor Moderne Kunst'. Werk van Paul McCarthy, Markus Lüpertz, Marlene Dumas, Joep van Lieshout, Jeff Koons en vele anderen, hier geprojecteerd als bewegend behang. Dat alles samengebracht in drie thema's: Mens & Eten, Mens & Dier en Mens & Geslacht - van appeltjes, via biggen, naar de vagina.
La Grande Bouffe is voorlopig de laatste grote voorstelling die Johan Simons hier maakt, voordat hij als intendant van de Münchner Kammerspiele. Het is een even raadselachtig als ongemakkelijk afscheidcadeau.