logo-print
Nieuws

Opening night: Een bewerking [… van het (on)werkelijke] verwekt

In een wereld die een mogelijk oordeel over zichzelf verkent, tracht het personage van Myrtle Gordon de stem te verspelen waarop (waarvoor) anderen haar willen afstemmen (bestemmen). De scène van deze wereld, bewoonbaar gemaakt langsheen verschillende perspectivische openingen, belicht voortdurende veranderingen. Wanneer de beweging van deze verandering zich voordoet, dan werd het menselijke tussen ons in reeds bewerkt. Op scène, maar ook daarnaast en daarvoor. Of eerder daardoor.

Met John Cassavetes biedt regisseur Ivo van Hove ons één van zijn jeugdliefdes aan. Een liason die in dit geval een bewerking voor theater verwekt, en wel op basis van de gelijknamige film uit 1977. In Opening Night concentreren Cassavetes en van Hove zich op de gespannen aanloop naar de première van een toneelstuk. Beiden willen een wereld van schijn en onbehagen ontkleden. In navolging van Cassavetes ontbloot van Hove dan ook het mechanisme van theatraliteit, om hartstochtelijk voorbij de façade te kunnen kijken waar in het andere geval slechts zinledige spektakelwaarde van af te lezen valt.

De scène lijkt wel genereus geopend. Zowel het podium, een ruimte voor (én met) publiek als de blik achter de schermen worden opgenomen in een totaalbeeld van de scène – waarvan de delen hetzij in levende lijve ervaarbaar, hetzij gestreamd en waarneembaar worden via een groot scherm bovenaan en via drie kleinere beeldschermen vooraan. Twee personen die zich voortdurend aan de hand van een camera tussen de acteurs, regisseur en schrijfster door bewegen, documenteren de voorbereidingen voor het toneelstuk ‘De tweede vrouw’.

Van meet af aan behoren technici actief deel te nemen aan het spel dat zich volgens een ogenschijnlijk onberekenbaar toeval ontwikkelt. Hun simultane aanwezigheid mag dan wel in het teken staan van dit totale en onvoorspelbare beeld, juist de bewuste keuze hen zichtbaar toe te laten op scène erkent hen als onmisbare en zelfs onvervangbare schakels in de verwekking van deze bewerking. Vlak voor het publiek zit bovendien een man achter een weinig onopvallend lichtorgel. De toonaard van de belichting die telkens wijzigt, begeleidt keer op keer een chaotische overgang naar de ruimte van een andere narratieve sfeer.

Op scène zelf coördineert een toneelmeester – die luistert naar de naam Leo – de organisatie op andere schaal. Wanneer iedereen, zowel voor als achter de schermen, zowel acteurs, regisseurs als toeschouwers, een aan- en ontvankelijke positie ingenomen heeft, dan is het Leo’s stem die, na een kortstondige, maar absolute stilte voor de storm, het begin van een zoveelste try-out aankondigt.

De repetities voor ‘De tweede vrouw’ die met het toneelstuk Opening Night in kaart gebracht worden, nodigen uit tot een fascinerend dubbelspel van enkele personages. Zowel Elsie de Brauw en Jacob Derwig, als Lien de Graeve en Oscar van Rompay, spelen langs de ene kant een spel, maar langs de andere kant ook een spel binnen dit spel. Een beredeneerde ontdubbeling die, vooral bij het spel van de Brauw, gaandeweg in het teken gaat staan van een complexe figuratie met veelzijdige aanknopingspunten wat betreft de agitatorische act van het menselijke. Terwijl Fedja van Huêt enkel de rol van Manny, de regisseur van ‘De tweede vrouw’ opneemt, speelt Elsie de Brauw Myrtle, de actrice, die – niet zonder enige opschudding – Virginia, de tweede vrouw, moet worden.

De thematiek van ex-geliefden die elkaar na jaren weer treffen breekt een lans voor een wrang gebrek waarmee de meeste dubbelpersonages elkaar en zichzelf opzadelen. Zo wordt de rol van de echtgenoot van Viriginia in ‘De tweede vrouw’ belichaamd door Marty, ofwel Maurice, de ex-echtgenoot van Myrtle. Wanneer ze de scène repeteren waarbij hij Myrtle een slag moet uitdelen nadat ze hem toegaf dat zij haar ex-man opzocht, dan ervaart Maurice haar halsstarrige weerspannigheid ook (on)werkelijk aan den lijve. Myrtle oppert een oprecht gebrek dat zich als een radeloze twijfel onder de aanwezigen uitzaait. Een gebrek aan humor acht Myrtle immers bezwaarlijk voor het personage van Virginia, een vrouw die volgens Manny en Sarah – de schrijfster – worstelt met de idee van het ouder-worden. Myrtle ondervindt dan ook de grootste moeilijkheden om zich volgens de richtlijnen van de tekst en de visie van Sarah te identificeren met de rol van deze vrouw in het stuk. De tweede vrouw. Het mooiste stuk dat ooit voor een vrouw geschreven, probeert Manny haar nog te overtuigen. Maar Myrtle weigert zich te identificeren met de slachtofferrol van deze vrouw, deze tweede vrouw waartoe zij haar proberen om te vormen.

De manipulatiepogingen van Manny en Sarah lopen voor Myrtle pas (on)werkelijk verkeerd wanneer Nancy, een fan die Myrtle verafgoodt, vlak voor de repetitieruimte doodgereden wordt. Iedereen is dood , klinkt het onheilspellend na een korte, maar hevige knal. Het lijken inderdaad vale schimmen die elkaar afblaffen op scène. Maar nadat het bloedrood naar het hoofd steeg, verschijnt de twijfel als voorbode voor de (wan)hoop die hen verenigt en die hen als enige menselijke zekerheid toch nog enigszins verlevendigt.

Met verbetenheid wil Myrtle toegeven aan de echtheid waarmee ze de rol van Virginia zou kunnen opvullen. Van zodra Myrtle de naam van het overleden meisje op de dubbele deur achteraan schrijft, naast de bloedvlek die aan haar ongeval herinnert, gaat ze op zoek naar een manier om het (on)werkelijke te uiten. Verschillende emoties breken in. Myrtle wil uitbreken. De jeugdige figuur van Nancy blijft als een levende hersenschim aanwezig in de verbeelding van Myrtle. Om zo het verlies van deze jongeling het hoofd te bieden. Om zo ook de herinnering aan haar eigen jeugdigheid te redden. Maar de verhouding van Myrtle en Nancy op scène lijkt toch niet zo eenduidig te omschrijven. Myrtle probeert zich in de confrontatie met het ingebeelde meisje als het ware eigenhandig om te vormen. Ze tracht een alles verterende wanhoop te bewerken tot een hoopvol personage waarmee ze als ‘De tweede vrouw’ haar verlangen naar echtheid kan bevredigen. Hoewel het geduld van zowel Manny als Sarah stilaan opraakt, tracht Myrtle, tegen hun aanwijzingen in, zelf een bewerking van het personage in haar te verwekken.

Beneveld door alcohol gaat Myrtle op de plek van overlijden een gevecht aan met Nancy, of toch met de wispelturige jeugdigheid van Nancy in zichzelf. Want wie is er nog jong? Wie was er jong? Ondanks de leeftijd kunnen we ons nog steeds jong blijven voelen. De opname van dit gevecht geeft aanleiding tot een onopvallende vertraging in beeld. De film op het beeldscherm achtervolgt het gebeurde op scène. Zelfs wanneer Myrtle en Nancy elkaar niet meer bekampen, zien we de kamp toch nog even in beeld. Uiteindelijk wil Myrtle enkel beseffen waarom alleen zij – en niet Nancy – de rol van ‘De tweede vrouw’ kan invullen.

Vlak voor de première raakt Myrtle plots zoek. Een ingenieuze diachronische kanteling van het scènebeeld doet onze momentane aanwezigheid in de zaal (on)werkelijk vervagen. En ik herformuleer de zin […] Vlak voor Opening Night raakt Myrtle plots zoek. Op de beeldschermen worden wij immers in het verleden aanwezig gesteld, als het publiek dat staat te wachten om de theaterzaal te betreden. Vlak voor de voorstelling werden we dus gefilmd in de hal van het NTGent-gebouw. De ganse crew gaat vervolgens op zoek naar Myrtle. Iedereen daalt de scène af. Tot vlak voor ons, het publiek – dat eigenlijk nog afwezig is. Achter de coulissen, gefilmd in de gangen van het NTGent-gebouw, vinden ze Myrtle, bewusteloos op de grond, doodsdronken.

Het sluitstuk van de voorstelling vormt uiteraard de première. De spanning bereikt een hoogtepunt. Niemand lijkt vertrouwen te hebben in de wijze waarop Myrtle Virginia zal vertolken. Elkeen wacht hét moment angstvallig af, waarop Maurice en Myrtle opgaan in Marty en Virginia. Ze nemen plaats op een stoel, in het midden van de scène. Ingezoomd op hun gelaat verschijnt elke gezichtsuitdrukking uitvergroot op de wand achteraan. Wonderbaarlijk genoeg valt Myrtle in het personage van Virginia samen met zichzelf, of toch het zelf dat ze zocht. Niemand had gedacht dat Myrtle er in zou slagen haar eigen verwekking te bewerken. Zij heeft de bewerking [… van het (on)werkelijke] verwekt.

Een verknoping van personages in / met zichzelf / elkaar. [Met de vrouw in zichzelf…] Met een ontknoping waarbij Maurice en Myrtle, die opnieuw elkaars tweede worden, zichzelf als het ware opknopen, of zich toch minstens uitleveren aan ons, het publiek, wanneer ze de vraag ‘hoe buig ik voor een publiek’ illustreren met een reeks van hun meest elegante buigbewegingen. Een al te eenvoudige ingreep, met een ronduit riant effect tot gevolg. Het daverend langdurende applaus was het (on)werkelijke waard.

De verontwerkelijking van de wereld, de indruk dat de wereld niet bestaat. Tenzij als fantasme. Omdat de werkelijkheid enkel bestaat bij gratie van de coördinaten waarin je situeert en van de principes die daarin werkzaam zijn.