logo-print
Nieuws

Opening night: I FEEL LIKE ELSIE MIGHT / UPON HER OPENING NIGHT

De muziek van Neil Young in ‘Opening Night’

 

Tonight’s The Night. De toeschouwer vermoedt het niet, maar hoopt het misschien wel, als Opening Night ‘opent’ met de muziek van Neil Young. Het stuk is vele dingen tegelijk, maar het is ook een hommage aan en een best-of uit het œuvre van de Canadese singer-songwriter. Zelden is het zo terecht dat een voorstelling een dergelijk grandioze soundtrack mag inzetten; vreemd genoeg is de rol van de muziek in Opening Night in de – nochtans uitgebreide – verslaggeving erg onderbelicht gebleven.

Drive Back. Vele artiesten hebben één ‘type-song’, die ze gedurende heel hun carrière blijven repeteren en verfijnen – wie zouden ze anders moeten herhalen dan zichzelf? Maar de echte groten hebben er twee – het is daarom dat de akoestische Neil op de ingetogen of ontroerende momenten opduikt, en de elektrische Neil (van onder meer Drive Back uit Zuma of Come on Baby Let’s Go Downtown) de chaotische, opwindende scène-wisselingen onderstreept, terwijl er tientallen acteurs over het podium dwarrelen, en de machinegeweergitaar van Young ratelt. Die ontdubbeling van de soundtrack is de gespletenheid van de voorstelling – en al snel ook die van de toeschouwer.

Will To Love. De duizelingwekkende kwaliteit van Opening Night is gebaseerd op de koppeling van twee contradictorische noties: emotionaliteit en postmoderniteit. Het is een ‘klassiek’ verschijnsel dat kunst die codes aanvalt, blootlegt of deconstrueert, zichzelf automatisch in een cerebraal of ironisch meta-kamp plaatst. Opening Night is ook een reflectie over de werking van theater (of kunst in het algemeen), maar kan net daarom aanspraak maken op – bijvoorbeeld – eenieders dromerige wil tot liefde.

Till The Morning Comes. Totdat de ochtend na de première komt is er de muziek van Neil Young om precies dat duidelijk en mogelijk te maken. Die muziek is namelijk wat ons als toeschouwers onafgebroken met Elsie/Myrtle/Virginia verbindt, omdat de soundtrack geen onderscheid maakt tussen het stuk-in-het-stuk, het stuk zelf of onze eigen wereld. Kunst bekijken of ondergaan is altijd als een ‘ander’ aan iets anders denken dan aan wat je onder ogen krijgt – jezelf dus kort als een ander zien. Het is precies dat of die ‘andere’ die de thematische grondlaag van Opening Night uitmaakt.

On The Beach. Het is mooi om te zien hoezeer deze voorstelling aan de haal gaat met het werk van Neil Young. Omdat wij als toeschouwers worden meegenomen in die goedaardige rooftocht, worden er deuren geopend naar nieuwe en onvermoede kwaliteitslagen in zijn œuvre. De thematische toplaag van Opening Night – het verouderingsproces – is zo een onderbelicht narratief aspect van de muziek van Young (terwijl zijn naam dat eigenlijk al van in het begin prijsgaf). En dan zijn de meest voor de hand liggende songs in dat kader nog onbenut gelaten, zoals Old man, The Old Laughing Lady of Sugar Mountain. Dat daarentegen wel een nummer als On The Beach is opgenomen, illustreert hoe de muziek zowel veralgemenend als intensifiërend werkt.

Cortez The Killer. Maar zelfs dan valt op hoezeer verlies, en de melancholie die ermee gepaard gaat, de gemeenschappelijke noemer van het werk van Young en van Opening Night is. ‘And I know she’s living there/And she loves me to this day’, zingt Young in Cortez The Killer. Misschien denkt ook Myrtle dat, als zij bijvoorbeeld haar jongere ‘ik’ terugvindt in de obsessieve maar dode fan Nancy. Nancy en Neil: het is de verloren jeugd en de muziek van de verloren jeugd die ervoor zorgt dat alles en iedereen elkaar terugvindt in de voorstelling Opening Night.

Long May You Run. Luister eens, zegt Nancy als ze vooraan op de bühne ligt, wat een mooi liedje, dat zong ik vroeger altijd mee. Dat Nancy zich geen klap aantrekt van de mediale beperkingen, komt niet alleen doordat ze een verzinsel is van Myrtle. Zij neemt de wereld zoals die is, en kan van toeschouwer naar actrice gaan en weer terug. Voor al de anderen (wij, de acteurs, de personages) is dat onmogelijk geworden, omdat het keurslijf van de representatie nu eenmaal gekomen is om te blijven. We kunnen enkel nog spelen met de grenzen van het verlangen, terwijl er voor Nancy niet eens grenzen bestaan.

I believe in you. Eigenlijk is dat voor Neil Young niet anders. Alle klassieke rockmuziek is onbewust, onbemiddeld en onmodern. De grote aantrekkingskracht van Young bestaat erin dat hij toegang kan bieden tot gebieden die in andere omstandigheden niet eens meer lijken te bestaan. Young is niet de man van de ‘inwisselbare persona’s’, van de poëtische omweg, van de postmoderne grap: ‘I shot my baby,’ zingt hij, en het komt nooit in je op om hem niet te geloven. Het overvloedige maar heerlijke gebruik van zijn muziek in Opening Night valt samen met de fundamentele bron van alle nostalgie: een wereld zonder ongeloof, gebrekkige representatie of personages – en dus ook zonder theater.

There’s a World. Voor de langspeler Harvest uit 1972 nam Young enkele nummers op met een filharmonisch orkest – een niet altijd onbetwiste zet. Maar in Opening Night werkt ook die paukeslag, want rond de opening night van ‘Twee Vrouwen’, zitten we alweer in een andere wereld, en alweer is alleen de stem van Young hetzelfde gebleven. Dat wil niet zeggen dat ook het stuk-in-het-stuk de muziek van Neil als soundtrack heeft – het is zoals gezegd eerder een muzikale manier om de stream of consciousness van Myrtle weer te geven, en die ook tot de grondlaag van de onze te maken.

Hey hey, my my. ‘Rock and Roll will never die,’ zong Young in het gelijknamige nummer. De vernietiging van het destructieve karakter van elke ‘tijdswerking’, en tegelijkertijd het besef van de onmogelijkheid daarvan in de ‘realiteit’ is wat de wisselwerking tussen Opening Night en Neil Young zo treffend maakt. Op de tweede langspeler van dEUS stond het nummer ‘Opening Night’. ‘I feel like Gena might/upon her opening night,’ zong Barman, verwijzend naar Gena Rowlands, de hoofdactrice in de Cassavetes-film. Dat wij ons als toeschouwers meer dan eens menen te voelen als Elsie De Brauw (terwijl we natuurlijk alleen maar om onszelf zitten te treuren) is zeker voor een groot deel het gevolg van de geniale (keuze van de) soundtrack. Hoever we ook ‘uit-zoomen’ en verhalen en persona’s als poppetjes in elkaar schuiven, de muziek is het vangnet dat al die bewegingen en interpretaties betreurt, verhevigt en beveiligt.

A dream that can last. Dat doet geen afbreuk aan de acteerprestaties, het decor, het script, de ‘materiële’ verlegging’ van het theater, de scenografie, et cetera. Maar naarmate het einde van de voorstelling nadert (of het begin ervan), het actieterrein wordt verlegd, en de scheidslijn tussen werkelijkheid en theater, tussen toeschouwers (op de videobeelden in de foyer bijvoorbeeld) en personages of zelfs acteurs uitrafelt, wordt duidelijk dat Opening Night het aloude verlangen van de kunst naar de blijvende werkelijkheid belichaamt – of van de werkelijkheid naar de schoonheid van de kunst. Het is de muziek die dit dubbele verlangen tot het onze maakt. Het is helemaal zoals Neil Young zelf zingt op het laatste nummer van Sleeps with angels, slechts begeleid door een klavecimbel. ‘I saw a young girl who didn’t die/I saw a glimmer from in her eye/I saw the distance, I saw the past/And I know I won’t awake, it’s a dream that can last’. Wanneer ook dit nummer in het theater weerklinkt, is er niemand meer die niet hoopt dat ook Opening Night een droom is die nooit zal eindigen.