logo-print
Nieuws

Vervolg verhaal 'De herbergier van Pidalgo'

De herbergier van Pidalgo                                                                                   Godfried Bomans

Te Pidalgo, in het graafschap Esquerra, leefde eens een herbergier, die algemeen voor een zonderling werd gehouden.

Hij stelde er een eer in, zijn gasten op het beste te onthalen dat er in de omtrek te krijgen was, schonk de heerlijkste dranken en weigerde om ook om maar de vergeeflijkste bedriegerijen in zijn rekeningen aan te brengen. Hij bedong op zijn waren slechts de winst die nodig was, om zichzelf en zijn vrouw in leven te houden en besteedde het overige voor de aankoop van nieuwe pannen en fijner bewerkte schuimspanen. Als men bijzonder veel at, weigerde hij zelfs enige vergoeding in ontvangst te nemen, zeggende dat de aanblik van zulk een eter hem beloning genoeg was. Bij grote festijnen stond hij handenwrijvend in de deuropening, glanzend van verrukking, en liet het oog met welgevallen weiden over zijn dankbare gasten. Eens, bij een schuttersmaaltijd, zag men hem wenen van blijdschap.

 

Het is niet verwonderlijk,  dat deze herberg tot de drukst bezochte van het Graafschap behoorde. Reeds van verre herkende men de kleine woning aan de etensdampen die zich tot boven de kruinen der bomen verhieven en het rumoer van borden en messen. Koks liepen af en aan, vrolijk staken hun witte mutsen af tegen het groen van het gebladerte. Overal zag men lachende gezichten, volle monden en bolle wangen. Slechts schaars hoorde men het rinkelen van geld. Gewoonlijk knikte de herbergier en wuifde met de hand, dit ten teken dat dit een zaak van lagere orde was, die de volgende morgen geregeld kon worden.

Hoewel alle spijzen er met de meeste zorg werden toebereid, was er één soort dat de naam van de waard tot in de uithoeken van, het  Graafschap verspreid had. Dit waren zijn vleesgerechten. Wat hij er mee deed, men wist het niet. Men vergat ook er over na te denken zodra men een ervan in de mond nam. Het had een malse en tegelijk kruidige smaak en men behoefde er niet in te bijten: het smolt vanzelf tussen tong en verhemelte. Men had er een reis per muilezel voor over om dit vlees te proeven, en het kwam voor, dat vreemdelingen, veinzende de kunstschatten van het oude Pidalgo te bezichtigen, de stad slechts bezochten om kennis te nemen van dit uitnemend gerecht.

 

Nu gebeurde het, dat er, door misoogst en veeziekte, een grote schaarste in het Graafschap uitbrak. De molens hielden op te malen, de vleeshouwers hingen hun messen aan de deurposten, en de vuren der bakovens werden gedoofd. Slechts uit de beroemde herberg van Pidalgo steeg nog een rookpluim omhoog. Zolang er nog vlees in huis was, zette de waard zijn befaamde schotels voor. Hij kon niet weigeren. Indien men hem een gerecht vroeg, stond hij op, en ging het halen. Hij trok zijn laatste groenten uit de moestuin, sneed zijn enig overgebleven varken de buik open en diende glimlachend het zware ribstuk op. Doch de nood achterhaalde ook hem. Na enige tijd moest zelfs hij de vuren doven en de tapkraan sluiten. De herberg bood een trieste aanblik. De braadpannen hingen fonkelend aan de muur en het blinkende vleesmes lag werkeloos op het aanrecht. Geen rook steeg meer op uit de welbekende schoorsteen, geen vrolijk geroep van koks en meiden weerklonk uit de keuken. Een vochtige, zure lucht hing in de ongebruikte eetkamers en verving allengs de prikkelende braadlucht van weleer. Doch het treurigst om aan te zien was de waard zelf. Mager en bleek doolde hij rond door het verlaten huis, toevend bij bij alle plaatsen waar de grote herinneringen aan verbonden waren. Uren kon hij staren op een vetvlek op de vloer, een glimmende veeg aan de muur. Niet de honger, niet het gebrek deed hem vermageren. Gaarne had hij nog meer geleden, zo hij slechts zijn gasten naar oude stijl had mogen onthalen. Zie, dat was het ergste: neen te moeten schudden wanneer er een vreemdeling voorbij kwam en vragend blikte naar het keukenraam. Hem de weg te zien vervolgen, niet gespijzigd en ongelaafd. Doch zelfs dit behoefde hij niet meer te doen. Men ging ten laatste aan zijn woning voorbij als aan alle andere herbergen, zonder hoop, zonder zelfs op te zien, als aan een huis waarvan de karigheid op de ramen geschreven stond.

De beroemde waard zat de ganse dag in een stoel voor de deur, het hoofd op de borst gezonken. Des avonds sloot hij als altijd de luiken en ging langzaam naar bed.

Des ochtends stond hij op en ging wederom buiten voor het huis zitten, als een veroordeelde, een schuldige. Soms, bij het naderen van een stap, lichtte hij het hoofd op; er gloorde een zwakke hoop in zijn ogen, dat er nog iemand zou stilstaan en vragen: ‘Hebt gij die koteletten nog? Kunt gij mij een lamsbout voorzetten?’ Doch men ging zwijgend voorbij. Eens op een dag echter reed er een koets voor, bespannen met zes grijze appelschimmels. Opgewekt knalde de koetsier de zweep, een roodwangige lakei sprong van het achterwiel op de grond en opende het portier. Er steeg een weldoorvoed heer uit, met een voorname glimlach op het fijne, blozende gelaat.

‘vriend,’ sprak hij, ‘zijt gij de bekende herbergier van Pidalgo uit het Graafschap Esquerra?’

‘Jawel, heer.’

De arme man was opgerezen en hield zich met moeite overeind aan de leuning van zijn stoel.

‘Welnu,  zeg mij dan, wat is dit voor een vreemd land?’ vervolgde de heer, even de wenkbrauwen fronsend, ‘ men weigert mij hier mijn lievelingsgerechten voor te zetten. Gisteren nog bestelde ik een kotelet en men antwoordde dat dit niet mogelijk was, daar er hongersnood heerste. Wat betekent dat? Gij doet toch zeker aan die dwaasheid niet mee?’

De beroemde waard richtte zich plotseling in zijn volle lengte op.

‘Gij zijt hier bij de herbergier van Pidalgo, heer,’ zeide hij.

De vreemdeling knikte voldaan.

‘Ik heb het u wel gezegd,’ sprak hij, zich tot zijn gevolg wendend, ‘deze herbergier vindt zijn weerga niet in het hele Graafschap. Gij hebt mij niet teleurgesteld, mijn waarde. Ik wil ook u niet beschamen: over zeven dagen kom ik terug, om uw vermaardheid te toetsen; gij behoeft niet veel te bieden. Ik ben een vijand van het vele, een vriend echter van het goede. Zorg slechts voor enige voortreffelijke karbonaden en enkele van uw vermaarde koteletten. Op tien gasten kunt gij rekenen. Tot weerziens.’

De koets rolde heen. De volgende morgen zag men de waard niet meer buiten zitten. De luiken bleven gesloten, de deur was toe. Reeds waande men de herberg ontruimd, toen de zevende dag een blauw rookwolkje uit de schoorsteen kringelde. Enige uren later drong een heerlijke braadlucht door de reetjes der gesloten luiken naar buiten. De verbazing in Pidalgo was algemeen. Men klopte op de deur en tikte tegen de ruiten; doch antwoord kwam er niet.

Tegen de avond reed de koets voor. De hertog en negen edellieden uit zijn gevolg stegen vrolijk schertsend uit en liepen enige malen om het gesloten huis. Vol welbehagen snoven zij de fijne braadgeur die door naden en reten naar buiten drong.

‘Komaan,’ sprak de hertog, na enige tijd gewacht te hebben of er iemand ter verwelkoming naar buiten trad, ‘wij zullen naar binnen gaan.’

Hij lichtte de klink van de deur op, duwde haar open, en bleef aangenaam verrast op de drempel staan. In de grote gelagkamer was een sneeuwwitte dis gedekt, versierd met brandende kaarsen en fijn bladgroen. Op de schotels lag het vermaarde vlees, lichtbruin gebraden en voortreffelijk van uitzicht. Aan het hoofdeinde zat de waard. Hij zag zeer bleek.

‘Mijne heren,’ sprak hij met zwakke stem, ‘daar ik eerst onlangs van een zware ziekte hersteld ben, gevoel ik mij niet in staat u naar behoren te begroeten, nog minder u te bedienen op de wijze die bij uw rang en stand past. Duidt het dus niet euvel, indien een gering man in uw midden heeft plaats genomen om toe te zien dat alles volgens uw wensen geschiedt. En zo ik dan niet zelf de schotels kan aanreiken, ik heb toch mijn zitplaats zo gekozen, dat ik u naar beste krachten behulpzaam ben.’

De hertog fronste een ogenblik het voorhoofd, doch hij zag weldra de redelijkheid van deze woorden in. Het gebraad smaakte uitstekend. Eensgezind was de lof derc aanzittende disgenoten en ook de hertog zelf was niet karig met zijn loftuitingen. Vele hoven had hij bezocht, zo zeide hij, en hij mocht zich beroemen op een keuken die voor geen dezer onder deed. Doch hier had hij zijn meester gevonden. Mocht hij ook de naam vernemen van dit wildbraad, dat zozeer zijn verwachtingen had overtroffen?

‘Edele heer,’ sprak de waard, na enige ogenblikken in verlegenheid voor zich gekeken te hebben, ‘uw woorden verblijden mij en doen mij de offers vergeten, die ik voor de bereiding van dit gerecht gebracht heb. Vergun echter dat ik de naam ervan niet noem en wees zo goed tevreden te zijn met de verzekering, dat ik slechts het edelste wild uw schotel heb waardig geacht.’

‘Dat is braaf gesproken,’ meende de hertog glimlachend, ‘elke kok heeft zijn geheimen. Wil iemand van de heren zo goed zijn mijn servetring op te rapen die onder de tafel gevallen is?’

Een der hovelingen bukte zich. Na enige ogenblikken kwam hij boven; hij zag krijtwit.

‘wat is er, Rodriguez?’ vroeg de hertog schertsend, ‘hebt gij een verschijning gezien?’

‘Neen, heer. Een houten been.’

Dit was de laatste maaltijd die de herbergier van Pidalgo gaf. Hij stierf kort daarop en werd begraven in Las Casas, nabij Cordova.