Irene Kanga Working On Sculpture

Lezing Bambi Ceuppens: 'Kunst is een middel om het eigen lot in handen te nemen.'

| 7 October 2020
Congo is economisch een van de armste landen ter wereld, maar bokst op artistiek vlak ver boven zijn gewicht in alle mogelijke disciplines, van dans en visuele kunsten tot film, mode en stripverhalen, om maar te zwijgen van zijn muziek waarop heel Sub-Saharaans Afrika danst. Het lijkt paradoxaal, maar mijn stelling is dat abjecte economische armoede en artistieke creativiteit zich voordoen als twee kanten van dezelfde medaille, namelijk het Antropoceen of zijn Congolese variant, het Congoceen, zoals Matthias De Groof (De Groof, 2020) het noemt: het tijdperk waarin de mondiale geologie en ecologie veranderen als gevolg van menselijke activiteiten.

Het Antropoceen is ontstaan door de uitbuiting van de natuur en de mens binnen een globale markteconomie vanaf het einde van de 15e eeuw. De invoer van miljoenen tot slaaf gemaakte Afrikanen in de Amerika’s voor het verbouwen van monoculturen op plantages (suiker, katoen, later tabak) lag aan de basis van de Industriële Revolutie, die een behoefte aan nieuwe grondstoffen en markten creëerde. Die Revolutie leidde op haar beurt tot de wedloop voor Afrika, die dan weer de weg vrijmaakte voor een nieuwe fase in de harde economische uitbuiting van Afrikanen onder Europese koloniale bezetting. Vanaf het begin van de 16e eeuw werd de huidige Democratische Republiek Congo volledig ingekapseld in dit systeem: mensen werden als slaven getransporteerd van de westkust naar de beide Amerika’s, vooral naar Zuid-Amerika en de Caraïben, en vanaf de 19e eeuw van de oostkust naar Azië.

Van 1885 tot 1960 werd heel Congo gekoloniseerd, eerst door Leopold II, daarna door de Belgische staat.

Intussen werden hele regio's die gespaard bleven van slavenhandelaars geïntegreerd in de handelsroutes die verbonden waren met één of zelfs beide slavenroutes. Van 1885 tot 1960 werd heel Congo gekoloniseerd, eerst door Leopold II, daarna door de Belgische staat. Die kolonisatie was bijzonder gewelddadig in de regio waar Irene Kanga woont. Vanaf 1901 verplicht de Compagnie du Kasai (CK) die een monopolie heeft op rubberexport hele families er om meerdere malen per maand rubber te oogsten ver van hun dorpen om de belasting te betalen. Handelsagenten gebruiken geweld om de vereiste hoeveelheden te verzamelen: ze straffen diegenen die zich verzetten met de zweep, gijzelen vrouwen en als ze niet tevreden zijn met de kwantiteit of kwaliteit van het rubber, weigeren ze te betalen en leggen ze mogelijk ook nog boetes op in de vorm van meer rubber of vee. Het leidt ertoe dat dorpelingen jonge mannen, vrouwen en vee verstoppen in het woud. Dat resulteert op zijn beurt in represailles waarbij dorpen worden platgebrand. Wanneer de CK in 1909 haar monopolie verliest, verslechtert de situatie door hevige competitie tussen verschillende bedrijven. De uitbraak van de slaapziekte in 1916 is direct gelinkt aan de dwangarbeid die de gezondheid en weerstand van mensen verzwakt.

Handelsagenten gebruiken geweld om de vereiste hoeveelheden te verzamelen: ze straffen diegenen die zich verzetten met​ de zweep, gijzelen vrouwen ​en als ze niet tevreden zijn met de kwantiteit of kwaliteit van het rubber, weigeren ze te betalen en leggen ze mogelijk ook nog boetes op in de vorm van meer rubber of vee.

Ondertussen daalt de prijs van rubber op de internationale markt en in 1915 schakelt men over van roofbouw rubber op de aanleg van plantages. In 1911 onteigent Huileries du Congo belge (HCB), een dochteronderneming van Lever Brothers (het huidige Unilever) land in Leverville (nu Lusanga) voor de oprichting van de eerste en grootste palmolieplantage in het zuidwesten van Congo. Mannen worden gedwongen om palmnoten te oogsten voor een schamel loon, waarmee ze de hoofdbelasting moeten betalen aan de koloniale administratie. Het slechte voedsel en de slechte werkomstandigheden leiden tot grote sterfte. Ten gevolge van de wereldwijde economische crisis van 1930 worden de lonen verlaagd en de belastingen verhoogd. Mensen beginnen hun dorpen te ontvluchten om te ontsnappen aan de rekruteerders van HCB. Die dwingen op hun beurt mannen om opnieuw aan het werk te gaan door vrouwen, kinderen en ouderen te gijzelen.

Op 14 mei 1931 komen Edouard Burnotte, een territoriaal agent, en Alphonse Vanhombeek, rekruteerder van de HCB, aan in het dorp Kilamba om belastingen te innen. Wanneer mannen weigeren te werken en op de vlucht slaan, laat Burnotte de meeste vrouwen gijzelen en opsluiten en alles van waarde confisceren. Burnotte en Van Hombeek en andere rekruteerders worden dronken en verkrachten verschillende vrouwen, onder wie Kafushi, de echtgenote van een man die Matemo heet; zij wordt verkracht door ene Henri Collignon. Na drie dagen worden de vrouwen vrijgelaten. Een paar dagen later confronteert Matemo Collignon en vraagt hem om compensatie voor de verkrachting van zijn echtgenote. Collignon weigert. Matemo krijgt een pak ransel en een klacht aan zijn broek, zonder dat Collignon zijn oversten informeert over de aanleiding. Daarop stuurt gewestbeheerder Leonard Vaninthout territoriaal agent Maximilien Balot erop uit om te onderzoeken wat er gebeurd is – en om belastingen te innen.

Op 8 juni komt Balot aan in Kilamba, vergezeld door vier soldaten en een boodschapper. Ze worden opgewacht door een vijandige menigte, die Balot mogelijk verwart met Burnotte. Die had al een kwalijke reputatie omdat hij eerder verantwoordelijk was voor de dood van een jong meisje dat verdronk terwijl zijn boodschappers het dorp waarin ze woonde plunderden. Wanneer Balot er niet in slaagt de menigte te verspreiden door verschillende schoten in de lucht af te vuren, schiet hij een Congolees in de arm met een jachtgeweer. In het gevecht dat daarop volgt, wordt Balot gedood door Matemo.

De weduwe van Balot zal achteraf verklaren dat ze begrijpt dat haar man minder het slachtoffer is van Congolese opstandelingen dan van een extreem disfunctioneel, wreed en corrupt koloniaal bestel.

De koloniale overheid is niet zo clement: bij militaire vergeldingsacties komen naar schatting 500 tot 1.000 mensen om het leven. Vele mannen worden ter dood veroordeeld door een oorlogstribunaal, anderen krijgen gevangenisstraffen.

Een decennium later, tussen 1942 en 1947, worden bewoners andermaal verplicht om rubber te oogsten als deel van de zogenaamde oorlogsinspanningen (‘l'effort de guerre’). Vanaf de jaren ’50 verbeteren de levensomstandigheden in de regio, maar ondertussen heeft de koloniale overheid wel het culturele, economische, politieke en sociale bestel volledig verstoord en veranderd.

Pende, de naam van de etnische groep waartoe de meeste bewoners behoren, staan artistiek vooral bekend om hun maskerades die totaalspektakels zijn. De Amerikaanse antropologe Zoë Strother (Strother, 1998) toont niet alleen aan dat Pende tijdens de koloniale periode maskers creëren die specifiek verwijzen naar de koloniale context, maar ook dat het geweld en de armoede die grote delen van hun koloniale geschiedenis kenmerken leiden tot een artistieke bloei met onder meer de wedergeboorte van maskerades vanaf de jaren ‘40:

Omdat de koloniale overheid legitieme politieke leiders had vervangen door stromannen, werd dansen voor jonge mannen die weigerden te collaboreren met de koloniale administratie een unieke manier om prestige te verwerven en uit te blinken binnen de eigen samenleving. Als er niets meer is, dan rest alleen nog de cultuur.

De Congolese auteur André Yoka Lye Mudaba beschrijft de bloei van de hedendaagse artistieke bedrijvigheid in zijn land als een middel om weerstand te bieden:

We zijn alles kwijt: we hebben geen economische macht meer en geen politieke macht. We zijn onze familiebanden kwijt en weten niet meer wat onze vaste waarden zijn. De artistieke ontplooiing is de enige mogelijkheid die gebleven is om gezamenlijk iets te uiten en het is een soort reddingsboei in de hoop een zin aan zijn bestaan te geven…
André Yoka Lye Mudaba - Congolese auteur, De Boeck & Van Synghel, 2005, 202

Deze analyse is van toepassing op vrijwel alle kunst die Congolezen geproduceerd hebben sinds de koloniale periode, inclusief de kunstwerken van Irene Kanga en haar collega’s van de Cercle d’Art des Travailleurs de Plantation Congolaise (CATPC): Congolese kunstenaars maken kunst in een poging om de wereld waarin ze leven te begrijpen, te bevatten en te beheersen.

Congolese kunstenaars maken kunst in een poging om de wereld waarin ze leven te begrijpen, te bevatten en te beheersen.

Men begrijpe me niet verkeerd: het feit dat er in Congo tijdens de afgelopen 500 jaar een nauwe relatie bestond tussen de exploitatie van mensen en de natuur enerzijds en artistieke bloei anderzijds moet ons er niet toe leiden te besluiten dat economische en ecologische uitbuiting de prijs is die we moeten betalen voor artistieke excellentie. Maar we moeten dringend af van de hardnekkige idee dat cultuur en kunst een luxe zijn die mensen zich slechts kunnen veroorloven eenmaal ze in tamelijk comfortabele omstandigheden kunnen leven.

We moeten dringend af van de hardnekkige idee dat cultuur en kunst een luxe zijn die mensen zich slechts kunnen veroorloven eenmaal ze in tamelijk comfortabele omstandigheden kunnen leven.

Recent schreeft de Congolese auteur Sinzo Aanza op Facebook: “Zonder cultuur is Congo niets anders dan een mijn” (Facebook, 19 mei 2020). Hij had net zo goed kunnen schrijven: zonder cultuur zijn Congolezen geen mensen.

Cultuur is wat mensen menselijk maakt. Irene Kanga attendeert ons erop dat de economische exploitatie van Congo al minstens sinds het bewind van Leopold II gepaard gaat met de verkrachting van Congolese vrouwen. Middels haar kunstwerk herinnert ze ons niet alleen aan Congolese slachtoffers, maar ook en niet in het minst aan de vele Congolezen die net zoals zij niet willen gereduceerd worden tot enkel en alleen maar slachtoffers. Te midden van fysieke en mentale verwoesting hebben mensen niet alleen nood aan de minimale behoeften die nodig zijn om fysiek te overleven, maar ook en vooral aan artistieke creativiteit: kunst is een middel om het eigen lot in handen te nemen en zijn of haar menselijke waardigheid te behouden, ook en misschien vooral in de meest mensonterende omstandigheden.

Dr. Bambi Ceuppens, senior researcher Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, Tervuren.
Lezing n.a.v. de presentatie van ‘Forced Love’ door Irene Kanga in NTGent.

Referenties

De Boeck, Filip & Koen Van Synghel. 2005. De gesproken stad: gesprekken over Kinshasa. Kessel-Lo: Literarte.
De Groof, Matthias. 2020. Congocene: the Anthropocene through Congolese Cinema. In: Marina Gržinić & Sophie Uitz (red.) Rethinking the Past for a New Future of Conviviality: Opposing Colonialism, Anti-Semitism, Turbo-Nationalism. Cambridge: Cambridge Scholars Publishing: 88-109.
Strother, Z.S. 2016. Humor and Violence: Seeing Europeans In Central African Art. Bloomington, In.: Indiana University Press.
Strother, Z.S. 1998. Inventing Masks: Agency and History In the Art of the Central Pende. Chicago, Ill.: Chicago University Press.