Img 9509 Web C Michiel Devijver

Openingsspeech Béatrice Delvaux

| 2 October 2018
Waalse journaliste en opiniemaker Béatrice Delvaux opende ons stadstheater met deze schitterende speech.

Het is een hele eer hier vanavond te zijn.

Omdat ik een journaliste ben temidden van kunstenaars en mensen die creëren. Omdat ik een franstalige ben in het theater van een Vlaamse stad. Omdat ik iemand ben die zich meestal alleen maar met het heden bezighoudt op de scène van een City Theatre of the Future. Omdat men mij deze kans geeft het Vlaanderen van de cultuur te bedanken, cultuur die me als hoofdredactrice, als journaliste en gewoon als mens vaak heeft getroost en verrukt.
Aangezien we aan het begin staan van de Gentse periode van Milo Rau als directeur van dit huis heb ik mezelf voorgenomen – op heel onbescheiden wijze – dat ik mijn toespraak à la Milo op zou bouwen. Om, vertrekkend van echte feiten en personages  te spreken over het plezier dat tijdens het creëren schuilt  in het mengen van oorsprong, talen, genres ; maar ook over de kracht en de vanzelfsprekendheid van de gemeenschappelijke oorsprong en doel die ons journalisten en u, kunstenaars en mensen van het theater, verbindt. Ik geloof stellig dat, door de keuzes die we maken en de creaties die we brengen, we soldaten zijn van dezelfde "missie", samengevat in de woorden van Hannah Arendt: "In uw strijd tegen de wereld, help de wereld. Want om de wereld op te voeden, moet je ervan houden".

We vertrekken dus In de eerste plaats van de realiteit als basismateriaal. In 2007 waren er in België wrijvingen tussen Vlamingen en Franstaligen. Het programma "Bye Bye Bye Belgium" uitgezonden op de RTBF, de Franstalige publieke zender, schokte het zuiden van het land, dat bijna een uur lang geloofde dat Vlaanderen net zijn onafhankelijkheid had uitgeroepen. Het was fictie, maar het spookt nog steeds door de geesten van vandaag.
De Standaard, een krant in het noorden van het land, was in die tijd bijzonder verontwaardigd over de visie die de Franstalige pers had op de Vlamingen. In een artikel met de Franse titel  "Nous en avons marre" schreef de toenmalige hoofdredacteur dat "de Vlamingen het beu waren te worden afgebeeld als racisten, separatisten en fascisten".
Genoeg om de journalisten van Le Soir op stang te jagen . Ah zo, ze waren het zat! Wel, wij ook, en om de bal terug te kaatsen, plaatsten we een "Brief aan onze Vlaamse vrienden" op de voorpagina van de krant, waarin werd uitgelegd dat de Franstaligen het beu waren als lui, eentalig en honkvast te worden beschouwd.
Het verhaal had daar kunnen eindigen. Maar de twee kranten besloten het niet te laten bij een uitwisseling van wraakzuchtige editorialen, maar te doen wat journalist geloofwaardig en legitiem maakt: het heden verklaren, het verleden vertellen, de waarheid overspitten, nadenken en nieuwe denkkaders voorstellen. Dat met alle middelen die ons ter beschikking staan, zelfs met als een taboe gold: samenwerken. Voor één keer gingen we deze reis samen maken, journalisten uit het noorden en journalisten uit het zuiden.

De "Noord-Zuid-confrontatie" was geboren: twee maanden  gezamenlijk werk, met twee gemengde redacties, vier weken van volledig gemeenschappelijke publicatie, zelfs de logo's van de kranten waren met elkaar verweven. Cross-interviews van Vlaamse en Franstalige kunstenaars, blootleggen van pijnpunten - justitie, veiligheid, de begroting..... – niets werd uit de weg gegaan : alles werd onderzocht, en niet alleen politiek. Kleine humoristische video's - de memes van die tijd -  "Jan en Jean" op het internet toonden, op reis door het België van de clichés. Ik herinner me er een van waar Jean, die duidelijk geen Nederlands spreekt, hier in Gent in een bus stapt en de passagiers in het Frans toespreekt en zegt: "Dank u dat u elke ochtend naar het werk gaat, terwijl ik in bed blijf liggen". 
Het communautaire conflict was moeilijk te analyseren, het risico op te grote vereenvoudigingen was niet gering en de politieke beschuldigingen talrijk en hard, maar dit gezamenlijke werk, dat de realiteit van de ene aan de andere liet zien, droeg dieper en preciezer bij tot de benadering van onze Belgische realiteit. We hadden ons werk beter gedaan, we waren sterker, we waren rijker. We hebben een geweldige tijd gehad. Bovenal waren we minder alleen. We hadden "wapenbroeders" ontdekt aan de "overzijde". En we gingen er nog meer ontdekken. 
Bijna tegelijkertijd deden twee theaters in Brussel hetzelfde. De KVS en het Théâtre National hadden besloten te starten met "Toernee generale",  een paar weken gezamenlijke programmering, waar voorstellingen en artiesten werden uitgewisseld, alles ondertiteld in de taal van de ander. Het was een nieuwe wereld die openging voor toeschouwers uit beide gemeenschappen.  
Ons journalistiek duo-onderzoek, Vlaams en Franstalig, bracht ons van zelf bij dit theaterinitiatief. Het stimuleerde ons, maar het maakte ons bovenal heel enthousiast. In een politiek klimaat waar de confrontatie heerste, waar taal bovenal een kwestie van macht, overheersing of wrok was, waar het gebruikelijk was de ander te demoniseren, hebben journalisten en theatermensen banden gesmeed, grenzen geslecht, bruggen gebouwd, "gemeenschappelijke zaak" gemaakt.  Het idee was helemaal niet België te redden, maar onze menselijkheid te behouden door ons vermogen samen te leven. Door de nieuwsgierigheid, complexiteit, smaak en plezier van de ander te herstellen en in stand te houden. En het was zeer aangenaam, en het was ongelooflijk interessant. Voor wie las en keek, voor wie schreef en speelde, voor wie publiceerde en produceerde.

Wat er toen gebeurde voor de betrekkingen tussen het Noorden en het Zuiden van het land, gebeurde daarna nog vaker, over migratie, vrouwenrechten, euthanasie, de toekomst van Kongo, de inzet van gemeentelijke, regionale en federale verkiezingen, persvrijheid, de plaats van religie in de samenleving, de toekomst van Europa.... Noord-zuid dialogen en uitwisselingen zijn basismateriaal geworden voor ons werk, terwijl theaters voor ons, journalisten, als het ware een pagina, een katern, een noodzakelijke editie van onze kranten zijn geworden.

Journalisten en acteurs, journalisten en auteurs, journalisten en regisseurs zijn soldaten in dezelfde gevechten, peddelaars in dezelfde schuit. Onvermoeibaar begaan met het begrijpen van de realiteit van de dingen, maar ook met de intimiteit van de mensen, die op dezelfde manier vastzitten aan de schokken van de wereld als aan de emoties van de acteurs en getuigen van het heden.  Om het zoals kunstenaars uit de tijd van de filosoof Giorgio Agamben te zeggen: "Alleen wie zich niet laat verblinden door de lichten van de eeuw en erin slaagt ook de schaduw die ze werpen, de sobere intimiteit, in zich op te nemen, mag zich eigentijds noemen. De tijdgenoot is degene die de duisternis van zijn tijd waarneemt als een zaak die hem aangaat en die hem voortdurend uitdaagt. Dat is ook de reden waarom mee zijn met de tijd bovenal een kwestie van moed is. »

Als ik een theater binnenkom, heb ik het gevoel thuis te komen, in een andere newsroom. De kijker/lezer verrassen, hem laten ontdekken wat hij niet weet of niet wil weten, hem in contact brengen met de ander, die hij niet kent of niet wil zien, Vlaams, Franstalig, zwart, Arabisch, jihadistisch, moeder van jihadisten, homoseksueel, transgender, arm, bankier. Hem laten ontdekken en voelen dat hij ook een acteur is, van de wereld en van zijn eigen leven, hem laten zien dat alles niet zo eenvoudig is, en dat hij ook de schurk, de moordenaar of de man met de bommengordel kan zijn. 
Dat betekent dat ik geloof in de deugden van de geboden van het theater van Milo Rau, voorschriften die net zo goed onze mediapraktijken zouden kunnen regelen: de vermenging van talen en mensen, het bijdragen van inhoud afkomstig uit de realiteit, de openheid van onze producties voor de lezers, de verplichting om eigen, originele, nieuwe inhoud te produceren of de optie de krant te maken waar nodig, met een minimum van bagage in een minibusje.  We delen ook dezelfde moeilijkheid en uitdaging: iedereen aanspreken, niet alleen een paar enkelingen, door de "mensen" te vinden waar ze thuis zijn, in hun stad, hier in Gent, maar ook in Brussel, Luik, Antwerpen, Namen, Bergen..... Ofwel in hun oorlogsgebieden, of in hun scholen, of in hun "kampen".
Ik zie en beleef kranten en theaters als de leden van een estafetteteam. Als de eersten het einde van hun parcours hebben bereikt en moe, teleurgesteld of hulpeloos zijn, is dat niet zo erg, want de volgenden nemen, met andere kracht, en vernieuwde energie over. De journalist geeft ons een glimp van de werkelijkheid, maar vaak volstaan de pen of het beeld niet of niet meer voldoende. Het is het theater dat dan het andere podium van de "actualiteit" wordt, waardoor we beter, intiemer, meer grensoverschrijdend, meer ontroerend, meer confronterend kunnen zien. Ik heb het zo vaak ervaren, in zoveel voorstellingen. Met Milo Rau was het de affaire Dutroux, waarvan de inzet en gevoelens op het podium zich aan ons opdrongen met een emotie en een kracht die nog nooit eerder werden vertoond. Of Kongo: onze verslaggever had het land al jaren in alle richtingen doorkruist, zijn inwoners een stem gegeven, zijn leiders formeel van nalatigheid beschuldigd, maar het was het theater dat de bevindingen van het onderzoek op het terrein vervolledigde, door dit geplunderde land, als een bescheiden compensatie, een proces aan te bieden.  De reporter had de regisseur gevoed en de regisseur bood de reporter een nieuwe redactieruimte aan. 
De journalist die een theater betreedt, krijgt een klap in het gezicht, of komt getroost naar buiten, of krijgt weer kracht. Hoe vaak heb ik mijn schouders en hoofd aan het einde van een voorstelling niet gerecht, gedragen door de kracht van verontwaardiging of idealen die vanop het toneel de zaal werden in geslingerd? Hoe vaak heb ik in de afgelopen maanden, verzwakt door deze sombere wereld, uitgeput door de macht van zij die haten, niet de moed herwonnen door te zien dat we in het theater, tegen alle verwachtingen in, zoals Cynthia Fleury zegt, "de zorg voor de rechtsstaat, als zorg voor onszelf" cultiveren. 
De huidige tijd, onze donkere tijden! We worden ermee geconfronteerd: populisme, racisme, antisemitisme. 
"Vandaag is maar één dag van alle dagen die zullen bestaan. Maar wat er alle dagen die nog komen zal gebeuren, kan afhangen van wat je vandaag doet." Deze zin van Hemingway is waanzinnig veeleisend, maar zegt dat we moeten vechten omdat elke dag telt. Als journalist zal ik deze moed de komende maanden hebben, omdat ik niet alleen ben, en vooral omdat jullie, regisseurs, schrijvers,  kunstenaars, heel dicht bij mij staan en standvastig blijven.

Milo Rau wil met zijn theater de wereld veranderen. Sommige mensen vinden dat aanmatigend en megalomaan. Ik denk dat het de enige nuttige brandstof is voor de weg die voor ons ligt. En dat het onze verantwoordelijkheid is.

Zoals de Canadese Libanese regisseur Wajdi Mouawad zegt,  
Nous ne sommes pas là pour servir.
We zijn er niet om te dienen.

Nous ne sommes pas là pour réussir
We zijn niet op aarde om te slagen

Nous ne sommes pas là pour divertir.
We zijn niet om ontspanning te brengen

Nous ne sommes pas là pour recommencer
We zijn niet op aarde om te herbeginnen

Nous sommes là pour impliquer.
We zijn op aarde om betrokken te zijn

Il nous faudra donc être courageux
We zullen dus moedig moeten zijn
Merci.
Dank u

- Béatrice Delvaux, op de eerste avond van ons openingsweekend, voor de première van Lam Gods, op 28/09 in NTGent.