Htf 19 Smoeremans

The State of the Union 2019 - Sarah Moeremans

| 6 September 2019
Naar jaarlijkse gewoonte opende het TheaterFestival met de State of the Union en de State of the Youth. Deze editie waren twee vrouwen aan het woord in de theaterzaal van Vooruit. Theatermaker Sarah Moeremans maakte de staat van het theater op aan de hand van zeven onderwerpen en een hulpvraag. Ze beschreef haar State als onvolledig, als een uitnodiging voor gesprek en aanvulling. Lees hier de integrale tekst.

Goedenavond, dank je wel dat ik hier mag staan. Of… dank je wel. Duizend doden ben ik gestorven, maar dat hoort erbij. Maar naast de gezonde plankenkoorts bemerk ik ook een luide interne echo van zeer alerte criticasters. Nog voor een poging tot een redenering het einde heeft bereikt hoor ik de tegenstemmen en kritieken al galmen in mijn hoofd. Deze harde polariserende cultuur van ultra snelle kritiek voel ik niet alleen hier in mijn hoofd. Hij is ook voelbaar in onze politieke arena’s, in onze kranten, op de internetfora en misschien ook wel hier in de zaal. Het voelt niet als een vruchtbare cultuur om een visie in te formuleren. Maar eigenlijk ook niet om voorstellingen in te maken. Ik zie zowel visies formuleren als voorstellingen maken als proposities. En een propositie is voor mij een voorstel, een suggestie, geen conclusie. Het is een levende denk-oefening met een provisoir einde. Ik heb het over de kritiek als reflex. Ik zou deze reflex wat vaker willen kunnen onderdrukken of temmen. En niet alleen hier en nu. Kritiek op kritiek is een lastige denkoefening in onze laat-verlichte tijden, zeker als je nog niets gezegd hebt. Dus om nu iets te kunnen proberen formuleren zet ik even mijn luide interne tegenstem op mute en vraag ik u om met mij die snelle oordelen voor twintig minuten op te bergen.

Ik vind het geen tijd om een State of the Union uit te spreken waarin ik mij in één onderwerp vastbijt. Hiervoor is er voor mij te veel aan de hand dus kies ik voor een state met zeven onderwerpen en een hulp-vraag. Ik hoop hiermee een gesprek in gang te zetten en dus een activerende propositie te doen. Hij is on-volledig, bevat blinde vlekken en vraagt om aanvulling.

Onderwerp één: geloofwaardigheid 

Ik was met volle teugen van mijn puberteit aan het genieten in deze stad toen mijn moeder mij in dit gebouw na een première vroeg ‘of ik haar een beetje geloofd had?’ Zij acteerde bij de Blauwe Maandag Compagnie en ik had van de voorstelling genoten, maar deze vraag verwarde mij. Aan de kwetsbare toon waarop ze het vroeg kon ik horen dat het een vraag van belang was: Had ik haar geloofwaardig gevonden? Ik had helemaal nog nooit zo over theater nagedacht, want I Love Techno was toen nog mijn culturele hoogtepunt van het jaar. Ik antwoordde in een eerste opwelling ‘ja’, omdat ik voelde dat dat na een première wel gepast was, maar eigenlijk had ik willen zeggen: Wat bedoel je met geloofwaardig? En: Hoezo vraag je mij dit? Sindsdien hoor ik het geloofwaardigheids-criterium steeds weer terugkomen in allerlei varianten, van ver- schillende mensen en in verschillende instituten. Ik ervaar het als een hardnekkige mantra in ons theater- landschap — merci mama om me daarmee te confronteren. Ondertussen weet ik dat ik dat hele ‘geloven’ voor mijn praktijk geen gids is; zeker als het erom gaat dat het theater ‘waar’ en ‘oprecht’ moet zijn, en de acteur ‘waarachtig’ en ‘eerlijk’ moet spelen. Ik ben op zoek naar meer onwaarachtig theater, een theater dat een beroep doet op mijn vermogen om te contrasteren, te verbinden, te associëren en tekens te lezen die in een onalledaags verband staan. Ik geloof —en dat is een paradox, ik weet het— in een ongeloofwaardig theater, een theater waar onwaarachtige denkpistes worden bewandeld, waar ik door geïnspireerd wordt om mij in ideeën te begeven waarvan ik niet wist dat ze bestonden, waardoor mijn realiteit opgerekt wordt en het onvoorstelbare voorstelbaar wordt. Als ik zoek naar oprechtheid, dan als strategie om contrasterende ideeën tot bij het publiek te krijgen. Het is dus voor mij geen doel maar een glijmiddel.

Onderwerp twee: onze taal 

Het gaat er mij nu vanavond niet om één collectieve definitie te vinden, en een syllabus voor ons vakjargon vast te stellen. In tegendeel. Maar ik wil een opening creëren voor het houden van zo’n semantische discussie: wat wordt bedoeld met die bijna dagelijks gebruikte vaktermen? Als ik dit elders wel eens poog, hoor ik vaak “What’s in a word? Laat ons niet verzanden in tijd verspillende semantische discussies.” Vaak gaat dit ook gepaard met een ondertoon van frustratie en vermoeidheid, alsof het een fase in het gesprek is die zo snel mogelijk moet worden overgeslagen. Maar is het niet nodig om daadwerkelijk te begrijpen wat we bedoelen met ons gemeenschappelijke begrippenapparaat en de taal waarin we over ons vak spreken? Zeker nu die taal zo in beweging is. In navolging van een veel breder maatschappelijk debat over de woorden die we gebruiken om te verwijzen naar seksuele geaardheid, geslacht, culturele afkomst of huidskleur, gaan we ook secuurder om met labels. Wij zijn met andere woorden zoekende in onze taal. En soms komen we terecht in een oeverloze discussie of in gestotter omdat we niet meer weten hoe we het dan wel juist moeten zeggen maar, ja dat hoort er ten dele bij. Ik beschouw het als groeipijnen. Maar ik wil niet dat gestotter tot stilstand leidt, tot een zwijgen uit angst om iets verkeerd te zeggen. Ik wil ervan uitgaan dat ik nog niet uitgeleerd ben in ‘samenleven’ en dat ik nu gedachten en taal heb waarvan ik over een tijd vind dat ze er niet meer toe doen, of ze zelfs verwerpelijk vind. En zo kan de semantische discussie dus ook een louterende werking hebben.

Onderwerp drie: moeilijk of gemakkelijk 

Vele vragen zijn complex en vragen dus aanhoudende aandacht en veelzijdige antwoorden. Bijvoorbeeld, Hoe stel je je als witte heteroseksuele man op in het debat omtrent heteronormativiteit, patriarchaat of diversiteit? Eruit weg vluchten is een te makkelijke reactie volgens mij. Nee, actief luisteren, aanwezig blijven, en de ongemakkelijkheid aangaan zijn onderdeel van dit emancipatieproces. Zo merk ik dat gender-quota vaak beschouwd worden als de oplossing voor genderongelijkheid, terwijl een meer evenwichtige samenstelling van besturen, gezelschappen en jury’s de mentaliteit nog niet veranderen. Ook wordt inclusiviteit volgens mij niet gerealiseerd door regenbooglabels te plakken op voorstellingen die thematisch iets met homoseksualiteit te maken hebben. Dat is niet meer dan marketing en handig inspelen op een doelgroep. Te gemakkelijk vind ik het ook als voorstellingen verworden tot een happening die de gelijkgezindheid van een zaal gutmenschen viert. Wij lachen op de juiste momenten! En er hangt de overtuiging: ‘Wij zijn klaar want wij horen bij de goeden.’

Verder zou ik ook willen dat er nog diverser over diversiteit wordt nagedacht. En dus vraag ik hierbij ook een semantische discussie over ‘Wat verstaan wij allemaal onder diversiteit?’. Bedoelen we alleen culturele diversiteit of ook politieke diversiteit? Generatie diversiteit? Levensovertuigingen diversiteit? Ik word omringd met termen als het diversiteitsvraagstuk, het diversiteitsprobleem, speciaal diversiteitstheater. Ik kreeg ook een diversiteitsworkshop van een diversiteitscoach. Deze vrouw had eerder voor grote jongens als Shell ook dergelijke workshops gegeven maar na vijf grote stadgezelschappen in Nederland concludeerde ze dat het voor deze sector veel belangrijker leek om het agendapunt af te vinken dan om dit vraagstuk grondig aan te pakken. Als er maar goede punten op het rapport gescoord worden. En onder u zijn er zeker die denken ‘ja dat is ook typisch Hollands’, maar dat durf ik te betwijfelen. En daarbij, wat levert die gedachte u op?

Onderwerp vier: repertoire 

In zijn State of the Union in 2016 sprak Wouter Hillaert — Ik citeer — : “We zijn een veld geworden waarin Tsjechov niet meer gaat over het verlangen naar Moskou, maar over naargeestige apathie tegen een ver- vallen decor. ]… [Waar is het perspectief op waar het heen moet? Waar is het geloof in de kracht van wat mensen kunnen veranderen? Wat hebben we hen meer te bieden dan ons eigen onvermogen?” Natuurlijk pleit Hillaert hier niet voor een Tsjechov waarin ‘geloofwaardig’ verlangd wordt naar Moskou, maar heeft hij kritiek op een in het theater steeds weer terugkerend cliché van de mens die met lede ogen de ondergang van zijn eigen beschaving tegemoet ziet. Wanneer een voorstelling gebaseerd op repertoire een dergelijke boodschap uitdraagt ligt de oorzaak, mijns inziens, vaak bij dramaturgische gemakzucht: Even een toneelstuk dat de tand des tijds overleefd heeft uit de kast trekken. Eentje dat het label universeel en tijdloos gekregen heeft. En dat met wat schwung, spelersplezier als lichte kost met kwaliteit serve- ren. Niet dat het geen succes kan hebben, in tegendeel, maar het draagt volgens mij bij aan theater als statische cultuur, en dat dient vermeden te worden. Ibsen, Tsjechov, Shakespeare, Harold Pinter, Beckett, Bernard of Camus opvoeren zonder stevig dramaturgisch perspectief is niet meer dan inspelen op nostalgische sentimenten, op een Och ja-Erlebnis maar ik hoop het publiek een Aha-Erlebnis te geven. Bewijzen dat een zogenaamd repertoirestuk nog altijd razend actueel is volgens mij geen stevig dramaturgisch per- spectief maar puur cultuurpessimisme. Daarmee pleit ik hier niet om het repertoire op de schop te doen, in tegendeel.

Toen ik in 2000 in het eerste jaar van de regieopleiding zat heb ik verplicht meer dan honderd toneelstukken moeten lezen. Een lijst die je nu kan verdenken van canon ambities. Veel stukken die daar toen op stonden zouden er nu al vast niet meer op staan en terugkijkend had ik liever gehad dat die lijst iets minder eurocentrisch zou zijn geweest, maar toch heeft het lezen van die stukken mij gevormd. Het heeft mij doen kennismaken met een immens scala aan narratieve structuren, aan ideeën over strategieën, vormen van ontwikkelingen enz. Maar de eeuwige puber die in mij schuilt werd hierdoor ook geprovoceerd: Is het nu de bedoeling dat ik deze ‘heilige Graal van de toneelliteratuur’ ga reanimeren? Wat mag ik hiermee en wat niet? Waarom zou ik dit nog eens willen opgevoerd zien? En zo ontstond er voor mij een grote berg aan stukken om tegenaan te schoppen, om mee in dialoog te gaan. Dat was voor mij persoonlijk dan ook een ontdekking waar ik nog niet klaar mee ben. En daarom is het materiaal dat repertoire mij biedt waardevol als startpunt, maar het mist ook ‘de kennis van nu’. Repertoire mist het bewustzijn over zichzélf dat het juist NIET universeel is en NIET tijdloos.

Typerend voor onze tijd is de multiperspectiviteit: dat we de geschiedenis vanuit het perspectief van een berg, een dier, een wit of zwart iemand kunnen zien. Typerend voor onze tijd is dat we juist niet allemaal met lede ogen zitten te kijken naar de ondergang, maar dat er kampen zijn van activisten en ontkenners. Typerend voor onze tijd is de psychologie die zich kenmerkt door overbewustzijn. Het is dan ook, denk ik, een te beperkte definitie om het werk van een handvol witte dode mannelijke auteurs hét repertoire te noemen. Hierdoor is het voor menig podiumkunstenaar die zich daar niet voor interesseert ook een scheldwoord geworden: repertoiretoneel. Onterecht vind ik. En daarom hoop ik dat we het begrip repertoire meer kunnen opvatten als een steeds vervormende verzameling aan verhalen en teksten die ons als mensen vormen. Die groeit aan de ene kant en afbrokkelt aan de andere en dat is juist noodzakelijk om vitaal te blijven. Bebuquin en De Nieuwe Toneelbibliotheek zijn initiatieven die ik daarom en warm hart toedraag.

Onderwerp vijf: moraal 

Naast het her-aanzwengelen van het gesprek over hét repertoire heb ik ook behoefte aan een semantische discussie over de meest melaatse onder alle woorden in ons theater: moraal. Het ergste wat over een voorstelling gezegd kan worden is blijkbaar dat het moralistisch is. En het is mij al een paar keer overkomen dat dat over een voorstelling die ik had gemaakt gezegd werd. Het is een opmerking die mij verwart. Mij werd ingepeperd dat theater er niet is om antwoorden te geven maar om vragen te stellen. Ook dit begon ik met der tijd als een mantra te ervaren en de puber in mij werd geprikkeld. Theater mag geen antwoorden geven… Dit credo volgde denk ik uit het feit dat de kijker zich serieus genomen moest voelen. Ik denk dat de kijker ook geëmancipeerd genoeg is om zijn positie te bepalen, geconfronteerd met een voorstelling die duidelijk positie of liever posities inneemt. En zit er niet ergens een paradox in: het mag niet moralistisch zijn maar het moet wel ergens over gaan? En wat is dat ‘ergens’ dan? Naar mijn gevoel is dat vaak een moreel dilemma waar we in de mensenwereld mee zitten. Het mag niet moralistisch zijn maar het moet wel over morele dilemma’s gaan? Of wil dat gewoon zeggen dat er weliswaar een moraal in mag zitten maar dat die goed verborgen moet zijn zodat de kijker die pas na wat puzzelwerk te weten komt?

Ik hoop theater te maken dat de durf heeft om positie of posities in te nemen, en uitspraken te doen, zelfs al stotterend. We leven in een tijd van kampen, van vele perspectieven. Neen, we zijn het niet altijd eens! Let’s deal with it. De fantastische eigenschap van het innemen van posities binnen een theaterkader is dat ze in de realiteit niet per se haalbaar moeten zijn. Ze moeten niet in een wetboek opgenomen worden. Ze prikkelen en stimuleren ideeën die, eenmaal met de buitenlucht in aanraking gekomen, een effect kunnen hebben dat niet altijd te voorspellen is.

Onderwerp zes: organisatie 

Ik fantaseer over meer experimenten aan de organisatorische kant van het theaterverhaal. Er zijn zeker her en der pogingen tot hervormingen maar van mij mogen het er meer zijn. Zou het geen idee zijn om twee zeer beproefde organisatievormen voor een tijd op vakantie te sturen? En dan bedoel ik: Eén, de piramide, het patriarchale systeem, dat overigens niet per se uitgevoerd moet worden door een witte hetero man om patriarchaal te zijn. Twee, het collectieve systeem waar ik het vermoeden van heb dat er achter de schermen wel degelijk rol- len verdeeld zijn, en niet altijd gelijkwaardig. Ik ben nieuwsgierig naar die rolverdeling en zou curieus zijn naar het alternatief organigram dat er uit zou voort rollen waren die rollen transparant. Stel dat die twee beproefde modellen nu voor een tijd de ijskast in mochten welke experimenteren met organisatievormen zouden er dan nog boven komen drijven? De estafette, een roulerend triumviraat, een model waarin beslissingen genomen worden met een geestelijk cijnskiesstelsel, het toeval incorporeren in je besluiten…ik noem maar wat. En het is niet alleen aan de instituten om zich daar over te buigen maar ook aan ons kunstenaars. Organisatie is inhoud en inhoud is organisatie. Organisatie en beleid bepalen onze praktijk en ik vind de uitspraak ‘Ik wil vooral of alleen veel maken’ daarom kwalijk. Er zijn trouwens voorbeelden van ingenieuze ingrepen en initiatieven. Ik denk aan de 100 dagen van het Veemtheater—dat theater opent 100 dagen per jaar na elkaar omdat het de fair practice code volgend, niet meer geld heeft dan dat. Door Anne Breure haarfijn uitgelegd in haar State of the Youth in 2017. Maar ik heb het vermoeden dat er meer opties voor experimentele structuren onder menig schedel schuilen.

Onderwerp zeven: samen zijn 

En we hoeven het hier niet over eens te zijn. Liever niet eigenlijk. We hoeven niet eenstemmig te klinken. Het is misschien die schijnbare gelijkgezindheid die hervorming van organisaties op een radicale manier in de weg staat? Naast Wouter Hillaert hoort namelijk ook Chantal Mouffe tot mijn Belgisch repertoire. Als politiek denker zegt zij dat de democratie kracht verliest als je er de conflictueuze dimensie uit haalt. De kracht, dus de bevlogenheid de overtuiging en de lust, die in dat conflict schuilgaat, wordt te weinig gevierd, terwijl we weten dat er meningsverschillen zijn. Ik hoop dat het conflict dat onder die meningsverschillen ligt ruimte krijgt en hiermee de verdeelde unie aan vuur, geestdrift en elan wint. Laten we ons niet te veel door angst leiden, bij het aangaan van verbintenissen? Een logische reflex want de kunstensector voelt zich vaak een kwetsbare sector: “We staan er politiek en economisch al zo slecht voor laat ons nu geen verdeeldheid tonen.” Maar in die verdeeldheid zit voor mij juist een stuk van de passie, de opwinding. Voor mij is het een bron om theater te maken omdat ik het theater dat er is wil aanvullen of verbeteren, veranderen, vernieuwen of recycleren. Alles, maar niet te conserveren. Chantal Mouffe schrijft: “Ik kan de rol van passie binnen de politiek en de samenleving niet genoeg bena- drukken. Burgers laten zich in hun overtuigingen niet alleen leiden door rationele en morele waarden maar ook passie”. Schuilt er zo’n politicus in mij? Ik hoop het van ganser harte. Geen partijpoliticus die slechts in realpolitik binnen een tijdspanne van vier jaar kan denken. Maar een ideoloog die proposities doet, denk- pistes uitstippelt en vormen bedenkt die nog niet bekend zijn. Linken leggen die dus misschien niet meteen herkenbaar zijn, maar die de realiteit oprekken, perspectieven ondermijnen en ons aanzetten tot semantische discussies. En zo ben ik terug bij het begin. Ik zoek op de scène dus meer politiek, minder herkenbare psychologie en meer morele proposities. Ik zoek ook naar meer complexiteit en organisatorische experimenten backstage.

Ik had u beloofd dat ik onvolledig zou zijn. Op deze manier kan uw gesprek straks al zeker deels gaan over wat ik allemaal niet aangestipt heb en hoe belangrijk dat is. En als u dan zo’n onderwerp gevonden hebt, wil u mij dan het plezier doen en u wagen aan een semantische uitweiding met uw gesprekspartner? Gesprekken zijn ook performatief, op en naast de scène, spreken is handelen en dus doen. Ik droom van een ridderlijke gesprekscultuur met een rijke woordenschat die niet gespeend is van humor. En zullen we elkaars zuurtegraad in de gaten houden? Het kan de praatpret namelijk ontzettend bederven. Stel de discussie niet uit, u hebt hier een jaar de tijd om verbaal te duelleren. Want volgend jaar staat hier een ander u betrokken toe te spreken.

En dan nog een vraag

Zoals u misschien weet, woon en maak ik al bijna twintig jaar theater in Nederland. En zit ik daar met een kwestie… Er was eens, zo beginnen sprookjes normaal, er was eens een tijd dat de grote zalen vol zaten. Aan publiek geen gebrek. Of het zo was moet ik geloven op de blauwe ogen van de generatie voor mij, want zo lang ik in het Nederland actief ben is dat niet meer het geval. Ongeveer parallel aan de kloof tussen politiek en burger is de desinteresse gegroeid van die burger in theater. Als fanatiekelingen zijn theaterkunstenaars op zoek naar vormen en formats die de onwillige medemens naar het theater moet halen, bijgestaan door overijverige PR-medewerkers die de toeschouwer lokken met het idee dat het laagdrempelig is. Als de theatermaker daar niet van gediend is zal de PR-medewerker de weerzin hiertegen wegzetten als klantonvriendelijk en schermen met het argument dat er zonder publiek geen theater is. Vertwijfeld en onzeker over zijn bestaansrecht stemt de theatermaker in met publiciteitstekstjes die geen enkel woord bevatten met meer dan drie lettergrepen. De relatie tussen de PR-afdeling en de kunstenaar is er een die lijkt op een wederzijdse ontvoering. De kunstenaar wil theatermaken en dat theater moet aan de man gebracht worden en de PR-medewerker wil theater ‘verkopen’, dus wil theater dat verkoopt.

20 maart 2019 is door 2,2 miljoen Nederlanders op de nieuwe partij van Thierry Baudet genaamd Forum voor Democratie gestemd, 2,2 miljoen potentieel publiek voor theater heeft voor hem gestemd. In zijn overwinnings-speech, die hij zegt te geven te midden van de brokstukken van de mooiste beschaving die er ooit geweest is, klaagt hij aan dat die beschaving ondermijnd wordt door onze universiteiten, onze journalisten en door zij die onze kunstsubsidies ontvangen. Dat ben ik en vele van mijn collegae dus.

Hoe positioneer ik mij binnen deze politieke en vercommercialiseerde cultuur? Terwijl politici van een andere signatuur het ook niet opnemen voor de kunsten. Waar begin ik dit gevecht? Bij de PR-medewerker? In het stemhokje? En tegen wie en met wie? Het zijn geen makkelijke vragen maar met al uw denkkracht en uw nuchtere blik door de afstand tot Nederland heeft vast wijs advies. Mail mij: info@sarahmoeremans.com. Dank alvast bij voorbaat.

Met grote dank aan Joachim Robbrecht, Joep van der Geest, Barbara van Lindt en Charlien Adriaenssens.