Interview Milo Rau over Everywoman

| 8 september 2020
Naar aanleiding van de productie Everywoman, die in première ging tijdens de Salzburger Festwochen, interviewden dramaturg Carmen Hornbostel en Christian Tschirner Milo Rau.

Uw bijbelfilm The New Gospel, waarin honderden leken en activisten te zien zijn aan de zijde van de bijbelfilmsterren van Pier Paolo Pasolini en Mel Gibson, viert in september zijn première op het filmfestival van Venetië. Nauwelijks twee weken eerder brengt u in Salzburg Everywoman, een ultra-intieme voorstelling, een monoloog onderbroken door dialogische videosequenties. De tegenstellingen kunnen niet extremer zijn. Waarom is dit?

Toen ik intussen haast twee jaar geleden door de Salzburger Festspiele werd gevraagd om een nieuwe versie van Jedermann te maken, weigerde ik in eerste instantie. Enerzijds omdat ik met het Lam Gods (2018) reeds een allegorisch kunstwerk uit de middeleeuwen had bewerkt, samen met 50 Gentenaars. Anderzijds omdat ik wist dat ik deze zomer, tegelijk met de Salzburger Festspiele, The New Gospel zou afwerken, waarin honderden acteurs en actrices verschijnen. Maar toen dacht ik bij mezelf: waarom niet doorstoten tot de kern van de zaak? Waarom niet een heel klein, een heel intiem stuk maken, dat vanuit een individuele invalshoek de aloude christelijke vraag stelt naar het ‘waarachtige leven’ en de verlossing? En daarvoor was Ursina Lardi uiteraard de ideale partner. We hebben al eenmaal, met Compassie, samen een monoloog gemaakt – toen overigens ook tegelijk met een politiek megaproject, namelijk Het Congotribunaal. Het private en het politieke horen bij elkaar.

Het private en het politieke horen bij elkaar.

De hoofdpersoon in Jedermann zoekt iemand om hem te vergezellen op zijn laatste tocht. Maar hij vindt niemand, zijn enige redding is het christelijk geloof. Wat is de redding in een seculiere samenleving?

Hofmannsthals Jedermann is een allegorie: de Dood en de Duivel zijn acteurs die uiteindelijk in een dispuut worden verslagen door het Geloof en de Werken. Als pseudo-middeleeuws volksstuk functioneert dit, ongetwijfeld, en ik heb ervan genoten, daar op de Domplatz in Salzburg. Maar nu is het wel zo dat zelfs Reinhardt en Hofmannsthal er al niet in geloofden – hoe zouden ze ook, twee jaar na de Eerste Wereldoorlog? En dat merk je ook aan het stuk: het is in wezen ‘doodvermijdingstheater’. De dood en het kwade kunnen niet ‘verslagen’ worden, het zijn basisconstanten van ons mens-zijn.

De dood en het kwade kunnen niet ‘verslagen’ worden, het zijn basisconstanten van ons mens-zijn.

Parallel aan Hofmannsthals neoconservatieve esthetiek, waarvoor Salzburg staat, ontstonden ook de fascistische en communistische heilsbeloften, namelijk dat het individu verlossing vindt in het volk of in de historische vooruitgang van de mensheid. Honderd jaar later kunnen we stellen dat vooruitgang, collectiviteit en geloof weggevaagd zijn door de latere oorlogen en de te verwachten klimaatcatastrofe. Daarom waren Ursina en ik in eerste instantie geïnteresseerd in de ‘werken’ van Jedermann. Wat kunnen wij, als kunstenaars en als activisten, als burgers doen om de wereld toch nog een beetje beter te maken? Blijft er iets van onze daden over na de dood? We trokken naar Brazilië, werkten daar met inheemse kunstenaars en stelden ons de vraag: bestaat er zoiets als globale solidariteit in de kunst? Dat was in maart, en dan kwam zoals iedereen weet de coronacrisis als spelbreker. Toen we elkaar in mei opnieuw ontmoetten, leek ook de benadering via de ‘werken’ ons slechts een verdringingsoplossing. Waarom nog naar Brazilië reizen als we toch allemaal – Ursina, ikzelf, de lezers – moeten sterven? Waarom niet gewoon doorstoten tot de kern van de zaak? 

En daarmee wijst het stuk op het existentiële feit dat elk leven onvermijdelijk ‘vals’ is, gebaseerd op verdringing – namelijk de verdringing van de dood. Maar hoe laat de dood over zich spreken? 

‘Waarom valt er niets nieuws te vertellen over de dood?’, vraagt Ursina in het stuk. Het antwoord is eenvoudig: de dood is gewoon een feit, naast de geboorte vermoedelijk het enige vaste feit in ons leven. Dus alles wat er over de dood te zeggen valt, is ofwel een banaliteit – ooit komt er een einde aan – ofwel een retorisch gemanipuleerde verdringingspoging. Al het andere, hoe normaal en dwingend het ons ook moge lijken, is toeval, karakter of historische situatie. Al het andere kan ook anders zijn, maar de dood niet. Ursina en ik vroegen ons dus af wat er gebeurt als je dat allemaal weglaat. Als je zegt: vandaag voor één keer geen verhaal, geen personages, geen plot, geen catharsis! Wat gebeurt er als we voor één keer enkel kijken naar het feit dat we hier zijn, samen, en dat we hier vroeg of laat niet meer zullen zijn. De enige vraag luidt dus: wat kunnen we doen tegen die biologische eenzaamheid van de steeds individuele dood zonder onze toevlucht te nemen tot volkse of Pachamama-esoterie? Wat moeten wij – de anderen en wij, de actrice en het publiek – aanvangen met deze ondraaglijke beproeving, met deze catastrofe? Dus begonnen we onderzoek te doen in rusthuizen, om te praten met mensen die dicht bij de dood staan. En toen kwamen we Helga Bedau tegen, een mens zoals Ursina of ikzelf of een of andere toeschouwster, een volstrekt normale vrouw. Want dat is, vind ik, het onbevredigende aan Jedermann: dat het hoofdpersonage niet zomaar deze of gene is, maar een uitzonderlijk persoon, een grootkapitalist. Ons ging het om een complete blootstelling, een kwetsbaarheid. Zoals Sartre het uitdrukte: ‘Als ik het onmogelijke heil in het rekwisietenmagazijn van het leven opberg, wat blijft er dan over? Een volledig mens, gemaakt uit alle mensen en evenveel waard als zij allemaal, en elkeen evenveel waard als hij.’ Toen we elkaar ontmoetten, had mevrouw Bedau haar diagnose al drie maanden eerder gekregen en had ze daarmee de prognose van de haar resterende levenstijd intussen al overleefd. Ze maakte zich op voor de dood, maar wist niet wat dat was. Hoe kun je je op zoiets voorbereiden? Dus vroegen we haar of ze erbij wou zijn in ons toneelstuk – wat ze nu op video ook werkelijk is. En ik hoop dat ze naar de première in Salzburg kan komen.

Zijn we echt allemaal gelijk voor de dood?

De dood roept ook een morele vraag op: wie terugblikt op zijn leven, moet er betekenis aan geven. Is een leven in de voltooid toekomstige tijd, met andere woorden ‘hoe zal ik geleefd hebben?’, eigenlijk menselijk mogelijk? En wat zou dat betekenen voor onze maatschappij, een ‘waarachtig’ leven?

Daarop zijn natuurlijk heel veel en heel diepzinnige antwoorden te geven die te maken hebben met bestendigheid en zingeving. We hebben nood aan een globale opstand tegen het voor alle wezens dodelijke kapitalistische systeem waarin we nu leven. We hebben nood aan een economie van het leven en van de waardigheid, niet aan een economie van de toegevoegde waarde – net over deze revolte, over deze opstand gaat The New Gospel. Maar in Everywoman ging het ons om iets veel eenvoudigers: het creëren van een ruimte voor concentratie, voor zachtmoedigheid.

In Everywoman ging het ons om iets veel eenvoudigers: het creëren van een ruimte voor concentratie, voor zachtmoedigheid.

Naar één persoon kijken en begrijpen dat deze persoon bestaat, net zoals ik besta. En de vraag stellen waarom we niet al onze energie steken in het vinden van precies zulke ruimtes, in het samenleven in zulke ruimtes. Wat in Jedermann waar is, is dat niemand hem wil vergezellen tot in de dood. Wanneer hij aan het eind bovenaan het podium staat, met naast hem de rillerige Werken en het aartsvaderlijke Geloof, worden we gegrepen door vertwijfeling over het tragische onvermogen van onze cultuur om tegenover de absolute vereenzaming van de stervende mens een troostend beeld te plaatsen. In ons stuk beginnen we in zekere zin vanaf een welbepaald moment in Hofmannsthals Jedermann: wanneer Edith Clever, de moeder van Jedermann, van rechts naar links over het podium schrijdt, vol verdriet en toch ook blijdschap. Daarmee is, te midden van alle allegorieën, alles gezegd. In haar trage tred schuilt de stille tederheid waar het in Everywoman om draait: ‘Je bent niet alleen, ik ben bij je en kijk naar je’. Het is de enige redding waar we op kunnen hopen. En toch is ze zo moeilijk.

Door de coronacrisis kwam de focus opnieuw op het thema van het sterven en de kwetsbaarheid van het individu te liggen, maar ook op de maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de bescherming van het leven. Zoals u al zei, had Everywoman in Brazilië moeten spelen, maar door de coronacrisis moest de onderzoeksreis worden stopgezet. Terwijl de dodentol in Brazilië met het uur oploopt, brengen wij een stuk over het sterven op de Salzburger Festspiele. Zijn we echt allemaal gelijk voor de dood?

Zoals ik al zei: op deze vraag zijn vele antwoorden te geven, maar bovenal staat ons nog veel te doen. Nog tijdens de lockdown hebben we een nieuw online debatformat gelanceerd, de School of Resistance. Daarin wisselen activisten, arbeiders en intellectuelen uit alle delen van de wereld – uit Latijns-Amerika, Afrika, Azië, Europa – elke twee weken van gedachten over strategieën van verzet en de uitbouw van een rechtvaardige wereld na de pandemie. En het is overduidelijk: de echte gevolgen van de coronacrisis zullen worden afgewimpeld op het Zuiden. De wereldeconomie is zo ingericht dat de kosten voor de lockdown betaald zullen worden door de toeleveranciers, door de miljoenen Pakistaanse textielarbeiders bijvoorbeeld die onze goedkope kleding produceren. Maar in Everywoman interesseert ons iets anders. Niets echt politieks, maar wel de existentiële en ook metafysische dimensie van de dood. De extreme angst voor de dood in de westerse samenlevingen tijdens de coronacrisis, bij een relatief laag sterftecijfer, heeft immers aangetoond dat we niet enkel bang zijn om mensen te verliezen, maar dat we vooral zo bang zijn omdat we ervan overtuigd zijn dat de doden echt verloren zijn, dat ze nergens heen gaan, dat ze nergens gered worden. We moeten leren om weer aan de dood te denken, in het leven zelf.

We moeten leren om weer aan de dood te denken, in het leven zelf.

Heeft u al eens nagedacht over uw laatste woorden? Wat moet er op uw grafsteen staan?

Ik hield altijd al van de woorden die Tsjechov naar verluidt in zijn ring had gegraveerd: ‘Niets wordt vergeten’. De gedachte dat alles ergens herinnerd wordt, dat alles ook evenzeer meetelt. Dat het de kleine gebaren zijn, niet de grote heldendaden, waar het op aan komt. En zo is het: we zijn allemaal gelijk voor de dood. En dus ook in het leven. Laten we samen dit schandaal bestrijden – ook een goede zin overigens.

- Interview door Carmen Hornbostel en Christian Tschirner, augustus 2020