Theater stopt niet bij de deur van het theatergebouw
Wat is de stad, waar leeft de stad écht en van wie is ze eigenlijk? Het zijn vragen waarin theatermakers Thomas Verstraeten en Lara Staal elkaar vinden. Dit seizoen bewegen ze elk op hun manier door de stad, met een kleurrijke optocht dwars door Gent of met een rapvoorstelling in de wijken.


--- interview door Evelyne Coussens
“Een naïeve fantasie,” zo noemt Thomas Verstraeten De opstand van de gevels, de parade waarmee hij het tweede weekend van september door Gent trekt. Verstraeten liet zich voor dit project gaan in een opwindende ‘Wat als …’-vraag: Wat als een historische gevel aan de Vrijdagsmarkt en de gevel van een klein arbeidershuisje uit de Brugse Poort op een dag beslissen om van plaats te wisselen?
Verstraeten: “Het centrum, waar het ‘historische Gent’ zich bevindt, dreigt vandaag in toenemende mate een façade te worden, een monocultuur van ketens en toeristische winkels. In de periferie, waar de arbeidersbevolking bij het begin van de twintigste eeuw werd ‘weggesaneerd’, wordt wel nog door veel verschillende mensen gewoond — met alle samenlevingsproblemen van dien. De ene gevel verlangt terug naar het ‘echte’ stadsleven, de ander eist zijn plek op in het centrum. Zo’n omkeringsritueel vind ik een ontroerend gebaar.”
Verstraeten nodigt zoveel mogelijk inwoners van Gent uit om deel te nemen aan de parade en breit ook nog een tweede luik aan De opstand: in oktober maakt hij in samenwerking met een nieuw ‘stadorkest’ een operavoorstelling bij Opera Ballet Vlaanderen, waarin de gevels ook een stem krijgen.

Lara en Thomas, jullie zijn theatermakers maar jullie noemen zich ook 'stadmakers’. Wat betekent dat? In hoeverre proberen jullie stad te ‘maken’ | en in hoeverre maakt of bepaalt de stad mee jullie werk?
Verstraeten: “De stad is voor mij inspiratiebron en grondstof. Ze is de plek waarmee ik in gesprek ga, maar ik pretendeer helemaal niet dat ik de macht heb om haar mee te ‘vormen’ of ‘maken’. Ik heb lang in de Antwerpse Seefhoek gewerkt, waar ik vandaan kom, maar ik heb die wijk niet kunnen omtoveren tot een welvaartsparadijs — dat was ook helemaal mijn rol niet. Ik wil dus bescheiden zijn over mijn impact en mezelf niet op één lijn plaatsen met het werk van sociale organisaties. Tegelijk geloof ik wél in de gemeenschapsvormende kracht van zo’n projecten. Een kunstwerk kan die collectieve denkruimte terugbrengen. Je kan mensen natuurlijk ook verzamelen rond een vat bier, maar het is zoveel krachtiger als je samen bouwt aan iets dat verbeelding of inzicht teweeg brengt. Zeker als het gaat over mensen die elkaar anders nooit zouden ontmoeten.”
Staal (knikt): “Tegenwoordig sturen we onze kinderen vaak naar dezelfde scholen, naar dezelfde sportclubs, we stemmen binnen onze eigen kring op dezelfde partijen. Ons sociale en politieke leven is gesegregeerd. Dat doet de democratie pijn. Wat we vandaag heel erg missen zijn plekken waar verschil is, waar we mensen ontmoeten die niét op ons lijken. En dat gebeurt sneller in de openbare ruimte dan binnen de eenvormige gemeenschap van gelijkgestemden in de schouwburg. (denkt na) Tegelijkertijd voelt dat onderscheid tussen ‘binnen’ en ‘buiten’ ook gekunsteld. Ik heb altijd de neiging om te denken dat het theater niet begint of stopt bij het theatergebouw. Theater gebeurt in de samenleving.We spelen allemaal voortdurend rollen, en het goede nieuws is: die rollen liggen niet vast. Wat wij als theatermakers doen is die rollen laten wisselen. Dat tonen we ook in De blauw: mensen denken vast te zitten in hun rol, terwijl ze vrij zijn om die anders te dromen of in te vullen.”
Voor regisseur Lara Staal is de term ‘politiek theater’ een loos begrip — theater ontstaat voor haar altijd vanuit een maatschappelijke urgentie. Eerder maakte ze bij NTGent Dissident en De gevangenis, documentair theater over respectievelijk het onderwijs- en gevangenissysteem en de impact van deze systemen op individuen. Bij het uitspitten van thema’s gaat ze samenwerkingen aan met experts maar ook met ervarings-
deskundigen. Vaak zijn het deze niet-professionelen die op de scène staan. Nu is er De blauw, over de manier waarop de politie vandaag functioneert en wat de effecten zijn van een toenemend repressief beleid op bepaalde ‘hete’ wijken. Staal: “België heeft een vrij ernstige geschiedenis van gewelddadig politieoptreden en etnisch profileren, alleen zijn er geen exacte cijfers over. Hier in Gent zie je dat de politie heel erg zijn best doet, maar ze sleept het gewicht mee van andere dingen die maatschappelijk misgaan rond huisvesting, zorg, onderwijs, … Intussen zitten we midden in een rechts discours, willen we meer blauw op straat, meer veiligheid — maar veiligheid voor wie?” Acteurs-rappers Serdi Faki Alici en Armin Mola komen in De blauw met een politiecombi aangescheurd. Ze spelen op wijkpleintjes, voor politiekantoren, scholen en instellingen en vertolken zowel de woede van de jongeren die zich door de politie geviseerd voelen als de complexe mentale situatie van de betrokken agenten.
Jullie brengen allebei het theater buiten de schouwburg, tot diep in de stad. Maar dat betekent ook: plaats innemen waar al mensen wonen, leven. Hoe doe je dat als kunstenaar zonder opdringerig te zijn?
Verstraeten: “In mijn projecten nodig ik de mensen die ik ontmoet uit om deel te nemen als zichzelf, niet als een speler of performer. Zij zijn daar al, op die publieke plek, en wat zij daar doen is waardevol op zich. Het enige wat ik toevoeg is een kader, een structuur waarbinnen dingen kunnen gebeuren en waar het leven dan opnieuw kan doorheen breken. Ik zie mezelf nooit als die regisseur met zijn strakke concept, eerder als een soort ‘verkeersregelaar’ — ik regel het dagdagelijkse bewegingsverkeer een beetje bij. Dat klinkt simpel, maar het vergt uiteraard een langdurig en enorm werk van kennismaken, praten, vertrouwen opbouwen.”
Staal: “Daarin schuilt de essentie, in die tijd en aandacht. Het is geen invuloefening hé, waarbij je snel even de juiste 'profielen’ scout voor je voorstelling. Het is een ontmoeting. Voor De blauw werken we bijvoorbeeld samen met twaalf jongeren uit de wijk Nieuw Gent. We zijn eerst bij hen in het jeugdhuis geweest, een paar weken later stonden zij in NTGent. Zij zitten in de kern van ons artistiek team, ze leveren advies, geven feedback in communicatie en zijn ons eerste testpubliek. Dat is een poging tot wederkerigheid. Maar goed, je kan het onevenwicht natuurlijk nooit helemaal oplossen. Het feit dat je middelen hebt om dingen te doen, betekent dat jij macht hebt. Dat is een ongemak waarmee je zelf mee in het reine moet zien te komen.”
Jullie spreken van intense en soms ook intieme processen. Wat blijft er over van al die verbinding nadat de parade of de voorstelling afgelopen is?
Staal: “Bij De blauw koppelen we aan de voorstelling een onderzoeksproject dat de reacties op de voorstelling capteert en terugspeelt aan de politie. We maken een voorstelling maar we vergaren ook kennis over de relatie tussen de burger en de politie, daar hebben alle partijen duurzaam iets aan. Tegelijkertijd vind ik de duurzaamheidsvraag dubbel, omdat het dreigt een paternalistische vraag te worden: alsof die jongeren van Nieuw Gent ons allemaal permanent in hun leven nodig hebben. Dat is niet zo, geen van die twaalf zat te wachten op mij of mijn project. De idee dat we hen zouden ‘misbruiken’ als we hen niet voor de rest van ons leven nabij blijven lijkt soms een soort hyperkritische linkse reflex. Onze samenwerking is een belangrijke en waardevolle ontmoeting, maar beide partijen zijn daarin vrij om weer los te laten.”
Verstraeten: “Ik heb al met honderden mensen heel nauw samengewerkt, maar tot nu toe is er niemand die mij na het afsluiten van een project verweten heeft dat ik die ‘verraden’ zou hebben, of in de steek gelaten. De vraag naar de duurzaamheid van participatieve trajecten is soms een institutionele of theoretische vraag, los van de praktijk.”
Wat hopen jullie dat De opstand van de gevels en
De blauw teweeg brengen?
Verstraeten: “Ik hoop dat De opstand het debat aanzwengelt, dat het project iets losmaakt over de vraag waar we met de stad naartoe willen. Dat is de ‘grote’ ambitie, op kleinere schaal hoop ik vooral dat we een gemeenschap kunnen bouwen van Gentenaars die zich bij het project betrokken voelen en erdoor worden uitgedaagd om op een nieuwe manier naar hun dagdagelijkse werkelijkheid te kijken. Dat mensen die elkaar nog niet kenden elkaar in de ogen zien en daaruit vertrouwen putten, een herwonnen vertrouwen misschien, in die ander.”
Staal: “Mooi hoe je dat zegt, Thomas. En ik deel jouw wens, ik vind ‘vertrouwen’ een superbelangrijk woord. Tegelijkertijd mag kunst ook pijn doen, het is ook een plek van kritiek. Onze samenleving is aan het verrechtsen, verharden en dat kost levens, letterlijk. We zijn hier als kunstenaars dus niet alleen om blijdschap en empathie te genereren, we zijn er ook om te zeggen: dit is gewelddadig. Dit is niet de samenleving zoals we die willen, hoe gaan we dit met elkaar oplossen? En wie neemt hiervoor verantwoordelijkheid?”